oktober10

Monoloog voor een vreemde eend

Ik ben verliefd. Daar ben ik ziek van. Niet dat ik daar zelf erg van opkijk. Zo schijnt dat al eeuwen te gaan. Juist als je die ander nog niet in je achterzak hebt, als het nog maar zeer de vraag is of je prille beminde wel komen zal, juist dan slaat de donder toe. En waartoe?
Ik wacht nu al uren en uren.
Wie kent dat niet?
Hopeloos natuurlijk. Maar ja, aan de andere kant: Zodra je zeker bent van je liefde en de zaak wordt met afspraken en gouden ringen beklonken, dan vlucht de verliefdheid als witte wieven voor de morgenzon. Weg romance. Terwijl romantiek in feite natuurlijk niet veel anders is dan door de mist naar het onbekende turen.
Dat je het mysterie viert en opvrijt. Het liefst onder maanlicht natuurlijk. Bij een kinderboomhut of zo. O, wat hebben we het daar heerlijk gehad. Ik zag niet veel van m’n geheimzinnige geliefde, maar voor m’n gevoel lichtte de maan me toch bij. Nou ja, op zo’n kinderlijke manier ben ik verliefd. Ik moet er zelf een beetje schaapachtig om lachen.
Op zich is het nog een hele prestatie om mijn gemoedstoestand zo nuchter te kunnen duiden, terwijl mijn hart blijft bonken en blozen. Mijn hart. Mijn warme hart.
Het is koud in deze kerker. Ik heb op dit moment dan ook niet al te veel om het lijf. Maar mijn hart trekt zich daar niet bijster veel van aan. Dat stroomt maar en dat gloeit maar.
Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen. Hoe waar is dat.
Merkwaardig toch hoeveel agressie dat oproept. Eerst die kerels en nu die vrouw weer.
Wat ging zij tekeer zeg. Eerst snapte ik niet wat ze bedoelde en toen het begon te dagen was het al te laat.
Mijn vader lachte vroeger om dat onnozele van me. Onnozelheid is een keuze, zei hij altijd.
Hij kon het weten. Hij heeft zijn…uh..wat is het tegenovergestelde van onnozelheid? Nozelheid? Hij heeft zijn nozelheid duur moeten bekopen.
Met kreupelheid. Uw nozelheid voor kreupelheid graag, zo werd hem gevraagd.
Pff, ik ben aan het doordraaien. Volgens mij heb ik koorts. Of is het gewoon dat hart dat ronkt en reikhalst?
Een versnapering zou er wel in gaan trouwens. Zou iemand zich nog herinneren dat ik hier zit?
‘ Hallo!! Halloho! Doe nog maar een keer zo’n dubbele whisky!’
Nee, laat dat. Flauwe geintjes, daar zijn ze hier niet dol op.
Waar wel trouwens?
Nee, ook niet doen. Weg met die toon.
En er is niet echt reden om bezorgd te zijn. Toch? Of wel?
Ja, ze hebben me in dit hol gekwakt omdat ik me niet aan hun wetjes hield. Niet aan die inhalige regels van haar, om precies te zijn.
Maar zij hielden me met zo’n schuin oog al jaren in de gaten. Voor hen ben ik een vreemdeling, maar dan wel een die je er goed bij kan hebben. Een melkchocolade-variant van henzelf. Geen onherkenbare gitzwarte exoot of zo, maar een charmante, ietwat afwijkende verschijning in een prachtige jas.
Die door die kat met haar lange nagels nu aan flarden is gescheurd trouwens.
Maar dat terloops andere van mij maakt hen kennelijk ook een tikje nieuwsgierig. Het trekt ook aan of zo.
Misschien lijk ik wel meer op hen dan op mijn broers. Die vonden pas echt dat ik er niet bij hoorde. Ook dat heeft me trouwens een verrukkelijke jas gekost. Steeds als ik uit de groep val, word ik uit de doeken gedaan of zoiets. Zoals windsels achterblijven in het graf, zodra de waarheid eindelijk opgestaan is.
Nou ja zeg. Wedden dat ik inderdaad koorts heb? Het zweet gutst langs m’n slapen.
Laat ik er maar eens bij gaan liggen.

Mmm..zo zal het ook wel in een graf zijn. Stil, hol, donker. Hoewel het steeds lichter blijkt als je eenmaal gewend bent.
En veel prikkend, lekker muf ruikend stro om op te liggen. Bovendien een halve jas om in gewikkeld te zijn. Welk mens krijgt ooit de kans om alvast zo voor te oefenen? Ik ben een bofkont als je ’t goed nagaat.
Maar zou een echte dode ook zo’n trek in een nightsnack hebben?
Vreemd genoeg is het wel knus hier.
Als kind verstopte ik me vaak in boomhutten en spelonken. Puur voor de lol. Om hetzelfde gevoel als nu.
Om te kunnen dromen over ver weg en over God. Wie dat dan ook wezen mocht.
Ik droomde over vreemde woorden en mensen die er nog niet eens waren.
En in mijn hut mocht iedereen komen die toe was aan een pitstop.
Mijn broers haatten dat. Terwijl ook zij van harte welkom waren met hun herderzweet en knorrende magen. En met het bloed dat voortdurend aan hun knuisten kleefde.
Sja, vooral Juda kon ik des duivels maken met mijn wartaal. Zo noemde hij dat. Wartaal. Kapotte hersens.
Ja, Juda is me d’r eentje. Die heeft onlangs zijn schoondochter gegrepen.
Omdat ‘ie dacht dat zij een hoer was. Want dan mag dat allemaal kennelijk wel zeker.
Over kapotte hersens gesproken zeg. Wat een wartaal.
Z’n schoondochter, mijn nichtje Tamar had een sluier voorgedaan. Zich in doeken gewikkeld. Want achter die sluier ben je vrij, merkte ze.
Tamar is goed beschouwd een echte troostvolle pitpoes. Om even bij op adem te komen. Achter haar sluier bevindt zich een rookvrije ruimte voor je geteisterde zelfbeeld. Bij haar ben je veilig. En daar was Juda blijkbaar ook achter. Ben benieuwd hoe het met haar af gaat lopen.
Het gekke is dat ik wel visionaire dromen heb, maar toch ook weer niet alles kan voorspellen. Gelukkig maar.
Mm…ik zak weg…in een prettige pitstop. Hart, bonk dan niet zo.

Waah! Alles doet pijn! Wat een nacht zeg. Alsof de hele geitenkudde van m’n broers zich op mij te rusten heeft gelegd.
Maar kijk, er is zowaar eten neergezet! Een flinke kruik water, brood en vijgen. Mevrouw heeft kennelijk haar beringde hand over haar gekrenkte hart gestreken.
Valt me niks tegen. En dat brood is nog vers ook.
Wat een rare nacht zeg. Wat droomde ik nou toch? Zou het door gisteravond komen, toen ik lag te suffen over Tamar en haar sluier?
Ik droomde over een gesluierde ruimte die op stokken door de woestijn vervoerd wordt. Een geheim dat wordt aanbeden. In het heiligste van het heilige. In doeken gewikkeld. Alsof God daar woont. Een pitstop van tentdoek. Mijn kinderverlangen verpakt in een vederlichte boomhut.
Sjee…bij die aanblik van vannacht barstte mijn hart zowat uit m’n ribben.
Wat verlang ik naar dat geheim. Maar wat zou het zijn? Hoe kan je nu naar iets verlangen dat je helemaal niet kent? Verliefd op een vreemdeling. Dat heb ik weer.
Is het koorts of opwinding? Wat kan het ook lekker schelen.
Mijn broers noemden mijn roekeloze overmoed hooghartig. Omdat ik maar wat riep en maar wat bij mekaar droomde.
Zodoende kon ik mijn lievelingsverhalen maar een keer aan hun vertellen. Daarna waren ze zo giftig, dat ze me aan tafel een week hebben doodgezwegen. Zelfs m’n oude vader vergat toen bijkans mijn aanwezigheid.
Nou ja, ook goed.
Toen heb ik m’n kleine broertje Benjamin naar de boomhut gelokt. Met een geheimzinnig gezicht en op m’n tenen heb ik hem van tafel verleid en ‘m mijn wereld in getrokken. Vond ‘ie geweldig.
En ik ook. Op zijn hurkjes en met zijn grote ronde ogen luisterde hij ademloos naar mijn lievelingsserie over helden en heldinnen. Mensen die er niet bij horen. Die verstoten worden en buiten de poort of in de put worden gegooid.
Ik drong door tot het hart dat luistert. Zijn oortjes leken te groeien, als ruimhartig openslaande poorten van zijn ziel. Lieve Benny.
En daarna gingen we die heldenserie vertolken.
‘En toen was jij Rachab die op de muur woonde. Op het randje van de stad.’
En dan ging m’n broertje met zijn knuistje kommaar-kommaar wenken. Want bij zijn Rachab kon je onder de vlasstengels onderduiken.
IJverig hield Benjamin dan mijn boomhutkleed omhoog. Voor de twee denkbeeldige vreemdelingen:
‘ En toen zei Rachabje tegen jullie: Kom maar bij mamma. En toen waren jullie weer blij.’
Ach, de schat. Het was of hij Rachab zeggen liet: Juist omdat ik eenzaam ben, de regels en de afspraken niet begrijp, juist daarom ben jij veilig bij mij.
Ik zag dat mijn broertje het meende. Er was zoveel vuur in zijn ogen. Wijd en gul hield hij zijn kleuterarmpjes voor me open.
Hij wilde ook graag Jezus spelen. Die figuur had ik speciaal voor Benjamin bedacht.
Jezus was een vreemde gozer die zo begaan was met het lot van de andersdenkenden en die zo kwaad kon worden op burgerlijke zelfgenoegzaamheid, dat Benjamin hem Godenzoon noemde. Als een echte ster. Het liep trouwens slecht met Jezus af. Terwijl hij zo goed leren kon.
‘Ah…mag ik nog een keer Zoonvangodje zijn?’ fleemde Benjamin vaak. En dan mocht ik zijn voetjes wassen en dan streelde hij over m’n haar.
Ach ja, die vreugdevolle vreemdelingenserie.
Maar inmiddels ben ook ik voor Benjamin waarschijnlijk een vreemde geworden. Zo lang heb ik mijn kleine broertje al niet gezien.
Was hij maar even hier om mijn hart te kalmeren, om mijn koorts te koesteren. Mocht ik zijn voetjes maar even vasthouden.
Mijn vader is dol op hem. Terecht. Vreugd van mijn ouderdom, noemde hij ‘m altijd.
Zou Benjamin zich later juist wel kunnen verstaan met de regels en wetten van zijn veel oudere broers? Zou ook hij zo’n rancuneuze herder worden? Lichtgeraakt en dus levensgevaarlijk?
Onze vader Jacob zorgde er voor dat ik niet bij de broers hoorde, maar dat was ook niet alles hoor.
Hij bekleedde mij met de mooiste gewaden. Hij omgordde mij met zijn hoop en verwachting.
Met al zijn goede bedoelingen hield hij mij daardoor ook in zijn houdgreep. Zoals hij ook God niet los kon laten daar aan die Jabbok bij Pniel…Daar is hij blijvend invalide van. En half doof. Want wat werd er in zijn oor getetterd zeg!
Laat Mij gaan, vraag niet naar Mijn naam! Sluit Mij niet op, maak geen vastgekoekt beeld van Mij!
Ja, God brulde het uit naar mijn vader. Naar het hart dat soms kan luisteren. Maar op dat moment was het even gesloten.
Ach, Jacob was toen waarschijnlijk al net zo’n ouwe stijfkoppige oorlogsveteraan als wij hem kennen.
Och, Benjamin mijn broer, mijn broer. Moge juist jij vrij en liefdevol blijven….

En wat nu? Ik heb mezelf uit het muffe stro overeind gehesen en ben op de bilpartij beland, heb het brood naar binnen gepropt, in de verschrompelde vijgen geknepen, tevergeefs om aandacht geroepen en geprobeerd rechtop te gaan staan.
Dat laatste was erg onverstandig. Zo’n opstanding kan reuze pijnlijk zijn.
Zowel om de stramme knieen als om het onbeschermde achterhoofd. Feitelijk ben ik zojuist weer in mekaar gelazerd, half tegen de karaf met water aan.
Die ligt nu ook tegen de grond. Aan scherven natuurlijk. Gezellig.
Weet je tenminste dat je leeft, zou mijn sfeervolle broer Ruben zeggen. Zo is het.
Maar wat nu? Niet gek worden. Een lied verzinnen. Iets als:

Bewater het zicht dat alle wezens uitermate vriendelijk zijn. Kijk met name deemoedig naar jezelf en ontwikkel respect voor anderen. Waak over je geest en verdrijf mentale aandoeningen. Houd juist hen hoog die in hun ellende kwaad bedrijven of ernstig lijden. Aanvaard tegenslag, zoals beschuldigd worden zonder poging je te verdedigen. Herken iemand die je kwaad doet als vriendelijker dan iemand die je helpt. Geef anderen hulp en geluk en neem hun pijn en lijden op je. Blijf zuiver en overwin gehechtheid aan illusies.

Pfff, dit wordt een monoloog voor een wel heel vreemde eend. Voor zo eentje als die Jezus. Maar ja, daar is de wereld nog niet rijp voor. Zo’n lied zou hem inderdaad z’n kop kunnen kosten. Om over de mijne nog maar te zwijgen….
Mijn hoofd barst zowat uit elkaar. Hoe laat zou het zijn?
Nee, om nu niet krankzinnig te worden…dan kan ik beter een nieuw verhaal verzinnen voor m’n broertje. Voor als hij weer m’n hut in kruipt. Hier bijvoorbeeld. O, wat zou dat heerlijk zijn! Ons heilige der heilige met net bewaterd stro!
Dan zet hij z’n grote ogen weer op en dan fluister ik hem opgewonden toe:
‘Benny, Benjamin…pssst, hier! In die donkere hoek! Hier ja! Ik speel Jezus. Jij bent ff z’n vader. Hij heeft nu z’n pappie nodig weet je…’
En dan gaat hij vast heel heftig knikken.
Maarre.. even prakkizeren hoor…M’n broertje is inmiddels natuurlijk wel wat ouder geworden. Dan kunnen we dus best overschakelen op een andere toon:
‘Ik zit hier gevangen. Net als Jezus. Ja, want Jezus werd ook gekneveld in afspraken en verwachtingen. Hij werd in doeken gewikkeld en neergelegd in een kribbe. In een gespreid bedje van anderen. Daarom voelde hij zich zo alleen, snap je…
Maar later pakten ze zijn kleed af en werd er om geloot. Toen kon hij zich bevrijden van het beeld dat de wereld en hij zelf van hem had. En in z’n graf liet hij ook de goedbedoelde windsels achter zich. Het laatste vastgeroeste beeld stierf daar en toen kon hij eindelijk opstaan. Begrijp je dat? Pas buiten de groepscodes, juist als vreemdeling is hij vrij. Daar kan hij God, het geheim van zijn wezen ontmoeten. Dan pas hoort hij eindelijk overal bij. Hoor je me Benjamin?’

Hee…wat krijgen we nu? Er valt onverhoeds licht in mijn spelonk. Iemand stapt op het natte stro. Ik ijl. Of zo.
‘Ja dierbare! Jozef! Ik luister. Jezus komt in beweging. En in die bewogenheid ontmoet hij zijn Vader.
Onze aartsvader Jacob dacht dat hij God kon vastvriezen in een naam. Maar JHWH is een gebeurtenis en betekent: Als jij gaat, dan ga ik met je mee. Ehjeh asjer ehjeh.
Pas als jij door ontferming wordt bewogen, is God er.
Sta dus op Jozef. Als jij blijft zitten, kan Hij ook niks. We moeten Hem helpen.’
Ik word gek. Wat is dit? Wat moet ik hiermee?
‘Benjamin, wat ben je mooi en groot!’
Maar wat zou hij bedoelen? Achter de sluier is toch het stille geheim? Daar woont God toch?
‘Jozef, zo was het toen we klein waren. Wij dachten toen dat God zich verschool achter een geheimzinnig voorhang. Maar het was andersom. Hij wachtte juist op ons, tot we de jaren des onderscheid hadden bereikt. En dat is nu! Hij heeft onze bewogenheid nodig. Ons hart dat overloopt. Sta op en wandel!’
Ik klappertand van de koorts. Of is het huiver? Terwijl ik overeind probeer te komen, stoot ik weer mijn hoofd. Ik val. En word opgevangen.
‘Wie ben jij?’ fluister ik.
‘Ik ben jouw bewogenheid, jouw onverschrokkenheid en jouw vertrouwen. Geef nooit op. Wat er ook gebeurt. Nogmaals zeg ik je: Geef nooit op. Ik ben de vreemdeling, die wacht op jouw ontferming. Pas dan kan ik er zijn. Dan zul je mij in de ogen van alle ontmantelde eenlingen ontmoeten.
Doe je gehavende jas uit. Laat je zien. Licht mijn voorhang op. En omhels mij. Omhels mij.’

Dit artikel werd op woensdag 10 oktober 2007 geplaatst onder Artikelen
terug naar boven | home

Email will not be published

Website example

Your Comment:

Spam Protection by WP-SpamFree



terug naar boven home
  • "Vavanond weet acteur Hans Dagelet een mooie link te leggen tussen angst voor inbraak en voor aftakeling. IJsmutsje af!#Nachtzoen #Ned2 00.54"
    yesterday
    "@isimediaNL Fijn, maar nu weet je de mijne vast: Waartoe zijn wij op twitter? Kom je uit, voel ik nu al...."
    yesterday
  • laatste reacties
  • Nelly van Haren { Mooi! De kerstlampen in de... } – 8 feb
  • Nelly van Haren { Dag annemiek, Leuk! Opvallend aan... } – 8 feb
  • mariekevn { Geweldig! Dat is nog eens... } – 6 feb
  • Annemiek { Ja de Arielfabriek! Klopt Nelly! } – 30 jan
  • Nelly van Haren { Yeah! Geweldig! En die mimiek... } – 30 jan