oktober14

Ontferming

Bijdrage aan ‘Moderne devoties’ – Vrouwen over geloven

Een uitgave van Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving, IKON televisie en uitgeverij de Prom.

Elke dinsdagavond was het raak. Dan kon je Hem met eigen ogen zien. Wekelijks, op Nederland 1. De Heer der Wrake die vaak en vergenoegd herhaalde dat Hij een jaloers God was, barstte iedere week groen van emotie uit z’n overhemd. De Hulk, dat kon niet anders, dit was ‘m.

Over deze jeugdtelevisieheld werd gedurende mijn hele leven iedere zondag 2 keer gepreekt en werd ik dagelijks overvloedig onderwezen. Wat een wonder dat Deze Onnavolgbare met grote televisieregelmaat als Hulk ook aan heidense kinderen verscheen, ondanks Zijn eigen verbod een gesneden beeld van Hem te maken.
Maar juist door deze genadige geste van Hem begon mijn verwarring toe te nemen. Ineens kon ik Hem wekelijks bestuderen, deze Oorlogszuchtige. Door Hem leken oudtestamentische zinnen als “iedereen werd gespaard, behalve zesduizend man” normale uitdrukkingen. Kan een Volmaakt Wezen wel zo boos, eenkennig, nukkig, wraakzuchtig, willekeurig en naijverig zijn?
Wat moest ik met Jahweh? En wat moest ik met de ouderlingen, onderwijzers, dominees en gymleraren die sprekend op Hem leken, want immers naar Zijn evenbeeld geschapen?
Dat de mens niet in staat tot enig goed is en geneigd tot alle kwaad, ja, dat leek zo langzamerhand Jahwehs eigen CV wel.
En hoe kan iemand als Jezus dan Zijn Kind zijn? En waarom werd er trouwens relatief zo weinig over Jezus verteld? Terwijl de hele wereld met kerst knus bij de kribbe zat, preekte onze dominee demonstratief uit het Oude Testament. Was Jezus niet exclusief genoeg voor ons vrijgemaakt-gereformeerden?
Mijn eigen aanlegje deed ook weinig goeds. Als bezorgd piepkleintje (je zou zo’n kind hebben) vroeg ik mij vaak ontmoedigd af waarom mijn moeder stof af nam. Dat had toch geen enkele zin. Morgen is er weer stof. Waarom zong zij daarbij?
Hersenspinrag van een klein meisje.

Eenmaal naar het conservatorium was ik voldoende toegerust om de aansluipende duivel op kousenvoeten te kunnen ontmaskeren. Ik was me er terdege van bewust dat ik de wereld van de heidenen binnentrad. Bovendien was muziek mijn grote liefde, dus het leven kon eindelijk beginnen.
Maar eenmaal afgestudeerd, doemde neerlands muziekwereld op en de teleurstelling was enorm. Mijn verwachting was dat ik te maken zou krijgen met vrije geesten, met mensen die mij met terugwerkende kracht het gevoel zouden geven dat dat kleine meisje nooit alleen was geweest. Maar de muziekwereld leek de kerk zelf wel. De muren bleken net zo dik en ook hier waren buitenstaanders bepaald niet welkom. Dat werd duidelijk doordat er onbegrijpelijk lelijke muziek werd gemaakt en daar mocht je niks van zeggen. Niet eens met een grapje ( de hulk had ook nooit veel humor getoond, laat staan een beetje zelfspot).
Ook hier maakten een paar machtigen de dienst uit. We hadden hier te maken met de ayatollahs van de moderne muziek, want zowel musici als recensenten dansten naar hun pijpen. Angst bleek niet alleen altijd mijn beste vriendin te zijn geweest. Waar ik ook keek in die artistieke wereld, er werd hologig en dof teruggekeken.
Waarom waren we toch zo bang? Wie ging ons kwaad doen? Hier was het niet Jahweh, want die kenden ze niet eens. Wat was er toch met ons aan de hand?

Mijn jeugd bleek nu slechts een uitvergroting van de werkelijkheid. Een scheerspiegel, waarin de dingen alleen iets scherper en meedogenlozer te zien waren geweest.
In zekere zin waren we bij nader inzien vroeger toch beter af. Daar wist je op den duur wel dat je in een merkwaardige gemeenschap bivakkeerde. Maar hier in de echte wereld werden er dagelijks en zonder merkbaar morren onnavolgbaar onaantrekkelijke regels vastgelegd die voortdurend werden nagekomen en herhaald. Er was geen enkele bijeenkomst of vergadering die ruimte bood aan gekkigheid en openheid en we-zien-wel-anders-kijken-we-wel. Zelfs de samenstelling van de onbetwistbare bijbel bleek bij nader inzien een zuinige afspraak. Het leven kwam me voor als een halfslachtige oplossing. Mensen werden ingedeeld, situaties weggezet, gedetermineerd. Zag niemand dat dit vlijtig determineren het woord terminaal in zich herbergde? Hoopte ik eindelijk tot leven komen, werd het leven overal uitgerangschikt. En iedereen leek dat een prima deal te vinden. Het onwerkelijke gevoel deel te nemen aan een steeds groter wordend misverstand had zijn definitieve doorstart gekregen. Dat stemde niet vrolijk, dat maakte hol, maar het was artistiek-romantisch gezien hoogst verantwoord.

Het bleek als heel diepzinnig te worden gezien als mensen langdurig in therapie gingen en kunstenaars waren altijd getroebleerd. En daar viel weer geld aan te verdienen. Al interviewend heb ik me jarenlang door de omroep geslagen. Kunstenaars, Bekende Nederlanders, ik werd een gretig toehoorder, ondervrager. De vraag “Wat is de zin van het leven? ” lag op mijn lippen bestorven. Was het immers niet zo dat een goede interviewer juist datgene vraagt wat hem of haar ook zelf werkelijk ten diepste beweegt? En vonden sommige mensen het niet geweldig dat ik dat met een zichtbare innerlijke noodzaak zat te doen?
Tja, wat kon nu toch de zin van het leven zijn? Het feit dat je de vraag eerder stelde dan beantwoordde, bleek zeer gewaardeerd te worden. Niemand wist het en dat werd gekoesterd. Verwarring was in. De stellige cynici die zeker wisten dat er “niets”was, waren niet interessant. Zelden had je dan te maken met leuke, open, humoristische, onbange mensen. Dus ook bij hen zou het misverstand niet worden opgelost. Maar hoe zeer ik ook van het interviewen hield, de nieuwsgierigheid verbleekte. Na 52 televisie-interviews met niet de eerste de besten, begon het toch wel op te vallen dat het lijden en de vertwijfeling van mensen sprekend op elkaar lijkt. -“En in de archieven van eeuwen voorheen, herken ik de grieven: de mensheid is één”, dichtte een nichtje van me al toen ze ontzettend lang geleden , nog voor de hulktijd zestien was.-
1 was hetzelfde als 52. De andere kant van gedrevenheid bleek vaak verslaving. De briljante advocaat, de meedogenloze journalist, de getormenteerde schrijver; praktisch ieder eenpuntig supertalent had een keerzijde nodig. In jenever, sigaretten, porno, ruziemaken of bedenk het. Nee sterker nog, die alom geroemde gedrevenheid was de verslaving. Waar vluchtte men toch voor en waarom werd het getalenteerde wegwezen toch zo bewonderd? Oog in oog tegenover geïnterviewden zittend, hoorde ik talloze malen Toon H. in mijn hoofd dreunen: “Het leed, de droefenis en de pijn doen mij geloven, er moet ontferming zijn”.
Het misverstand werd alsmaar groter. Was ons collectieve holle gevoel straf op zonde? Had de Hulk dan toch gelijk? Was je gevangen als je niet voor Hem koos? Maar waaruit bleek dan Zijn ontferming?

Wake-up-call. 15 juli 2002. Politie aan de deur. Michaël dood. Op slag. Onbegrijpelijk ongeluk. Michaël, mijn stiefzoon, het kind van mijn man. Die stoere gevoelige gozer die zo had geknokt en eindelijk tot leven aan het komen was en het afgelopen jaar begon te vliegen. Die vloog zich te pletter. Tegen een auto. Onlogisch. Geen theorie of concept bleef overeind. Leegte. Alle mitsen en maren, alle muizenissen, op slag verdwenen. Het had geen enkele zin meer om op de welbekende mentale handrem te gaan staan die normaal gesproken al die neurotische vragen produceert als: Heb ik wel genoeg verdriet? Heb ik nu alweer verdriet? Er was alleen maar verdriet. En dat blijkt een reuze eenvoudige emotie, vergeleken met wat wij dagelijks allemaal aan ons hoofd hebben. Er was geen wegwezen meer aan. Bij niemand van ons. Niet in godsdienst, in werk, in gedragingen, in afspraken. Natuurlijk dacht ik dat z’n vader het niet zou overleven. Maar ook dat bleek een angstig oordeel. Een vooroordeel.
Door de reactie van Michaël z’n vrienden en geliefden ten tijde van hun rouw, zag ik dat een onverwachte dood meer eigen creativiteit genereert dan een vastgelegde bruiloft. Zo’n doordacht feest waarbij men wit moet dragen met hoed, en niet bij de plechtigheid maar wel bij de avondparty zelf mag zijn.
Juist omdat iedereen zo spontaan z’n eigen verdriet omzette in daden –de een maakte een piepklein herdenktuintje onder de boom aan onze gracht, de ander liet een emmer met het typische Michaëldrankje Spa Bruin (Berenburg met prik) op de kist zakken – juist dat was wat troostte. Precies het spontane en eigene van iedereen maakte mij eindelijk deelgenoot. Ik ontwapende.
Had Etty Hillesum niet die onvergetelijke opmerking gemaakt?: “Ik zal je helpen God, dat jij het niet in mij begeeft”. Bedoelde ze dat? Dat hij gewoon zit te wachten in ons? Dat je hem op kan graven met ieder gebaar, met onze eigen bezieling?
Zijn wij soms zijn medescheppers? Dan was dat neuriënd stoffen van mijn moeder de zin. Niet het stoffen zelf, het gaat om het neuriën, om hoe je dat stof opneemt. Wij zijn blijkbaar in staat om iedere ontmoeting, ieder drama, alle alledaagsheid, alles steeds opnieuw leven in te blazen, er het stof van af te nemen.
Pas nu begreep ik dat vragen naar de zin van het leven een impertinente vraag is, een belediging. De zin van het leven is leven. Niet door een laffe belofte erna. Alsof alle wonderen die ons voortdurend overkomen niet tellen. Ineens zag ik dat we allemaal geneigd zijn om het leven dagelijks uit te stellen: door bijvoorbeeld tijdens het typen aan vrijen te denken en tijdens het vrijen aan typen. Dat we zo goed als nooit in het nu zijn en dus onbevredigd.
We zijn nooit thuis. Dus daar kwam dat holle gevoel vandaan! Iedereen hangt buiten, wachtend op andermans mening. Nobody is at home. We missen onszelf. Wij hebben het paradijs zelf verlaten. Dat ik daar pas door de dood achter moest komen!

Maar wat had die door mij uit het hoofd geleerde bijbel daar dan toch mee te maken? En waarom was mijn heimwee naar God gedurende al die jaren geduldig aan de deur blijven kloppen? Hoe kon het dat ik dat verlangen naar goddelijke liefde en compassie nooit heb laten afpakken door de mannenbroeders van mijn jeugd? Terwijl het altijd zo duidelijk was dat je met je vingers van de bijbel af moest blijven als je die niet van kaft tot kaft kon geloven.
Was het om dat vreemde kinderbesef, dat weten dat er een ongekwetste kern in ons zit? Zoals in dat mooie boeddhistische beeld van de cinema: als je in de bioscoop zoekt naar wat er achter de film zit, dan zie je een grote lamp. De film heeft dat licht op alle denkbare manieren grof misbruikt, maar het licht wordt op geen enkele wijze aangetast. Die lamp leek op de rode strik uit mijn jeugd. Die had ik blij in mijn haar toen ik tien was. De onderwijzer zei: “Jij maakt van buiten mooi wat van binnen lelijk is”. Die strik heb ik uiteraard uitgedaan, maar ergens voelde ik dat de man zich vergiste. Iets bleef ongekwetst.

Ik begon het Tibetaanse Boek van Leven en Sterven van Sogyal Rinpoche te lezen en er gebeurde iets wonderlijks. Het was net de bijbel maar dan met leesbril.
Abstracte begrippen die mij van jongs af aan vertrouwd waren, kwamen tot leven. Vrede, mededogen, wijsheid, het waren niet alleen woorden en concepten waar je een beetje droevig en eenzaam naar kon staren, nee, je kon het beoefenen. Spiritualiteit was te beoefenen, zoals een pianostudie. En dat kon onder leiding van een levende leraar, iemand die van meester op leerling in de eeuwenoude orale traditie van het tibetaans boeddhisme staat. Eeuw na eeuw. Sogyal Rinpoche, daar kon je gewoon bij gaan studeren.
Wat merkwaardig eigenlijk dat ik dat als christen nooit gekend of bedacht had.

En toen doken de apocriefe rollen voor mij op. Die ‘heidense’ boeken die bij de door de Geest zelf geïnspireerde samenstelling van de canon in 325 jammerlijk zijn verketterd. De evangeliën die gevonden zijn in Nag Hammadi in 1945. Gek toch dat je talloze malen over iets heen kan kijken, totdat je het blijkbaar autoriteit geeft.
Ik had nooit durven denken dat de gelijkenis van de goede herder in de bijbel het tegenovergestelde beweert als hetzelfde verhaal wat in 1945 is gevonden en vermoedelijk zelfs ouder is dan het ons bekende evangelie. In de bijbel staat dat de herder een schaapje kwijt is, het opzoekt en terughaalt naar de kudde. In het apocriefe verhaal van het Thomasevangelie vindt de herder het weggelopen schaapje, zegt: Jij bent me liever dan al die anderen, en hij laat het schaapje gaan. Hij houdt van dat eigenwijze diertje omdat het innerlijk vrij en autonoom is. Of de apocriefe Jezus die voortdurend zegt dat jij jouw weg, jouw waarheid en jouw leven bent. Dat je in zijn gelaat jezelf ziet, zoals ook een boeddhabeeld als een spiegel is. Je kijkt in je eigen ware natuur. Als je voorbij je eigen boze, bange, jaloerse egootje heenkijkt, dan krijg je zicht op je onveranderende, niet te kwetsen goddelijke kern. Dan zie je dat we allemaal gelijk zijn. Betekent dat dan dat die jaloerse Jahweh staat voor het ego, voor datgene wat onze ware innerlijke goedheid in de weg zit?
Of het Maria Magdalena-evangelie, waarin deze vrouw niet als een hoer wordt neergezet die is bezeten door boze geesten. Zij zou juist een verlichte wijze vrouw zijn die Jezus zeer liefhad en wiens geestuitdrijving ook sloeg op het beteugelen van het ego. Zij was niet meer zoals wij voortdurend slachtoffer van haar eigen meninkjes en stemminkjes. Zij kende door beoefening, contemplatie en discipline ware innerlijke vrede en was daardoor in staat tot mededogen en wijsheid. Was de hele kerkgeschiedenis niet eigenlijk een ten hemel schreiend misverstand van een instituut dat zich baseerde op een fundament van angst en macht?

Dat holle gevoel van vroeger, dat in de heidense buitenwereld alleen maar was toegenomen, leek ineens zo logisch: Het instituut van angst en macht had ons allemaal geïnfecteerd. Niet alleen mijn gereformeerde onderwijzers, maar ook de kunstenaars, de baby-boomers, de politici. We zijn in wezen allemaal zonen en dochters van angst, in onzekere afwachting van anderen en omstandigheden, ontwend om op onszelf te vertrouwen.
We bewegen ons allemaal voortdurend tussen hoop en vrees, tussen afschuw en begeerte. We oordelen in plaats van het oordeel uit te stellen en ons te verwonderen. We zijn, kerkelijk of niet, allemaal het slachtoffer van wat onze geest met ons doet. Terwijl je die net als een paard zou kunnen trainen. Je temt een paard toch ook niet om er een suffe knol van te maken? Nee je gaat net zo lang door tot je er zo hard mogelijk op kan rennen.
Is het niet merkwaardig in een samenleving te zijn aanbeland waarin het trainen van ons lijf in de sportzaal als heel normaal wordt gezien, terwijl het leren kennen en trainen van de geest, van ons echte zelf, iets is om over te giechelen?
Terwijl we allemaal kunnen zien wat een ingedutte geest met ons doet. Die neemt waarden en normen klakkeloos over. En dan weet je het wel. Afspraken die we niet innerlijk toetsen en die niet met ons mee veranderen, worden stenen waarmee het goed gooien is. Al-Sadr ontpopt zich dagelijks om ons heen, zonder baard en moslimgeloof. Een theorette hoeft maar aan te koeken of fundamentalisme blijkt om de hoek te wonen. Zonder onze bezieling en aandacht worden meningen dof en toonloos uitgesproken. Op het Flevofestival waar ik onlangs met jongeren zou praten over de palestijnse kwestie, verandert zelfs de vlotste knul in een robot als hij zegt: “Kaïn en Abel hadden ruzie en daarom zijn Kaïns nazaten vervloekt”. Ook in onze verwarring lijken we sprekend op elkaar.

Het leuke aan een tibetaan is dat het woord boeddhisme eigenlijk niets betekent. Er is geen wij tegen jullie en ook geen Jezus tegen Boeddha. Er is geen dualiteit. Juist door Sogyal Rinpoche werd ik veelvuldig geconfronteerd met woorden van Jezus. Woorden die ik altijd al gekend heb, maar nu pas hoorde. “Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen”. Als een mens werkelijk zou beseffen wat hij een ander aandoet, zou het niet in z’n hoofd opkomen. Wat zouden we opgelucht kunnen zijn als die stem in het openbare debat zou klinken. Wat zou ik dat inzicht veel meer geloven dan de psycholoog die televisiecommentaar mag leveren bij de foto’s van lachende amerikaanse soldaten die irakezen martelen. Die niet verder komt dan de uitspraak dat wij allemaal het zelfde zouden doen.
Mijn levensrugzakje dat zo boordevol nutteloze bijbelkennis zat, kon eindelijk open. Want die voor mij abstracte woorden begonnen tot leven te komen, net als Jezus zelf. Hij stond op en hij wilde uit het rugzakje.
Bijvoorbeeld met mijn lievelingswoorden in Gethsemane: “Kunt gij niet 1 uur met mij waken? “ Die zin begon ineens voortdurend van perspektief te wisselen.
Wie waakt er met mij, verschoof naar: Kan ik eigenlijk wel met jou waken? Kan dat kleine meisje nu op mijn volwassen steun rekenen, of laat ik haar bij elke gebeurtenis van buitenaf voortdurend in de steek? En blijf ik naast die invalide dikke man in het trappenhuis zitten als de Twintowers instorten en hij niet meer verder kan? Ik zeg niet dat ik dat ga doen, maar ik wil voorbereid zijn.
Dat is het gekste nog van alles. Misschien was ik ooit een raar gereformeerd meisje en misschien was mijn levenslange heimwee naar God iets volstrekt particulier. Maar het is net of iedereen mee wil; het Hillesumse opgraven van God in onze harten lijkt een gat in de markt. Het is alsof we allen weten dat we tot grote dingen in staat zijn. Dat we de peperdure computer die we zijn, tot nu toe alleen hebben gebruikt voor een krachteloze versie van Word. Dat het een heerlijk avontuur is om de andere programma’s te ontdekken. Zonder angst en vooroordelen. Laat ons God opgraven. Door iedere ontmoeting op straat, op het werk, in de politiek , op televisie te bezielen. Door onbeschroomd in elkaars ogen te kijken en te zeggen: jij bent niet alleen. Laten we ons ontfermen. Wat hebben we te verliezen? We kunnen alleen maar winnen. Aan leven, aan authenticiteit, aan menselijkheid. Jezus is mens geworden. Nu wij nog.

Annemiek Schrijver
Moderne devoties

Dit artikel werd op zaterdag 14 oktober 2006 geplaatst onder Artikelen
terug naar boven | home

Email will not be published

Website example

Your Comment:

Spam Protection by WP-SpamFree



terug naar boven home
  • "#kootenbie Waarom is de pijn van hun scheiding niet het beginonderwerp?Kees en Wim. Ik zou niet kunnen wachten om DE vraag te stellen."
    about 1 hour ago
    "Haha, het blijft heerlijke radio. Stationspetje af! : http://t.co/WAb4avlK"
    5 hours ago
  • laatste reacties
  • Annemiek { Ja de Arielfabriek! Klopt Nelly! } – 30 jan
  • Nelly van Haren { Yeah! Geweldig! En die mimiek... } – 30 jan
  • mariekevn { Prachtig! Leuk om het nog... } – 30 jan
  • Oma Zwaan { Wauw!! Dit moeten jullie vaker... } – 30 jan
  • mariekevn { Zit te schateren achter de... } – 27 jan