Onze schatkamer
Ergens in ons lijf zit een stoffig hoekje. Het zal ongeveer wel bovenin te vinden zijn, want het lijkt op een zoldertje. Een vliering met bijna vergeten voorwerpen. Spullen die jaren niet gebruikt zijn. Verspocht, bestoft en half vergaan. Toch bestaan ze. Dag in dag uit dragen we die volle vliering met ons mee. Of is het toch een kelder?
We leven ervan. Want daar in onze bovenkamer of in onze diepste krocht, huizen flarden die ons gemaakt hebben tot wat we nu zijn. Het zijn losse eindjes van herinneringen, halve zinnen uit liedjes, magische voorwerpen en onbegrepen kinderwaarheden.
Gaandeweg hebben we vaak gedacht dat ze daar wel altijd verstopt zouden blijven. Want wie kan met ons delen waar we zelf al niet meer bij kunnen?
Wie kan net als ik dat ene zinnetje van mijn zingende moeder tijdens het stof afnemen horen: ‘Is dit een grap of om te huilen?’
Zal ik ooit weten welk lied dat was?
En bestond kruipsuiker nu werkelijk, of heeft mijn peuterbrein van weleer dat zelf verzonnen?
Zat die bewegende suiker echt in een unieke magische bruine pot, of was dat in de jaren zestig een heel gewoon modelletje? Zou ik in dat geval uw pot mogen overnemen?
En de cassettebandjes die uit mijn eerste inbraakgevoelige gele Ascona zijn gestolen…hoe heette die zangeres ook alweer? Milcheva? Zou ik haar stem ooit nog horen mogen?
En dan al die onbegrijpelijke zinnen van volwassenen die je kinderhoofdje maar zo’n beetje fonetisch aan elkaar breide:
‘Aanditverganklijklevenkleef…’
Was dat een toverspreuk of een gebed?
Ik nodig u uit uw eigen vliering te beklimmen of af te dalen naar uw kleine keldertje. Zal ik u daar helpen afstoffen? Zullen we onze schatten voor onszelf en voor anderen uitstallen en elkaar vertellen wat onbetaalbaar is?