oktober10

Voorwoord Verlicht mijn nacht

“Verlicht mijn nacht werpt een nieuw licht op het oeroude gebruik van bidden. Annemiek Schrijver selecteerde ontroerende gebeden, die aan de verzameling eeuwenoude wereldgebeden van de klassieken, de Egyptenaren, de joden, de christenen, de islamieten en de boeddhisten zijn toegevoegd. Het resultaat is een bundel gebeden die door iedereen gelezen, voorgedragen en gebeden kan worden. “

Mededelingen doen, verlanglijstjes indienen, aanroepen, smeken, danken, vieren, schietgebedjes prevelen. Al die vormen van verlangen noemen we bidden.
Bidden komt bij elke religie voor en is van alle tijden. En iedereen kan het of weet ervan, want wie heeft nooit met tegenzin een Here-zegen-deze-spijze aan tafel gezegd, in hoge nood een God-geef-dat-ze-er-niet-achter-komen gedacht, of een ontroerd en opgelucht Dank-u-wel gefluisterd?
Alle mogelijke varianten op de aanroep ‘Verlicht mijn nacht’ klinken al zolang er mensen zijn. Vaak eenvoudig samengevat tot ‘ Jezus!’ Wie goed kan luisteren, hoort soms juist in een luidkeels geuite vloek een gebed. Hoe het ook gedaan of benoemd wordt, bidden lijkt op het creëren van een rookvrije ruimte in onze geest. Of op een spirituele striptease. We zoeken een gat in de wolken, ruimte tussen net en straks, om even helemaal geconcentreerd in het nu te zijn. En in het hier en nu zijn is als een dichtgedraaide kraan: de neurotische verhalen die we voortdurend afdraaien in ons hoofd, druppelen langzaam weg, we worden stil en heel. We komen thuis.
Dat geldt zelfs voor mensen die niet van bidden houden. De Poolse kinderarts Janusz Korczak (1878-1942) schreef in het voorwoord van zijn ‘Alleen met God, gebeden van een mens die niet bidt’ :

De gefluisterde zielsgeheimen
die je jezelf toevertrouwt,
haakte ik aaneen door de vorm van een gebed.
Ik weet dat elk schepsel zijn leven,
zichzelf door God en God door zichzelf
met de reusachtige wereld vervlechten moet.
Ik weet het.
Ik ben er zeker van, zo helpe mij God.

Blijkbaar willen we ook een Adres voor onze dankbaarheid, onze wanhoop, angst of devotie.
En wie woont er dan eigenlijk op dat adres waar zo veel Post van Verlangen en Verwijt aankomt?
Is er wel iemand die onze e-mails leest? Worden we gehoord, gezien? Wie heeft er ooit een RE ontvangen op zijn roepen? Eigen ervaring leert dat er weinig reactie kwam op mijn kinderlijke verlanglijstjes van weleer. Niet alleen dacht ik in die tijd dat er een God was die als de Sint zelf z’n grote bekommerde boek over ons bijhield. Ik was er ook zeker van dat die God een vader was, een helper, een allesweter. Maar ik wist niet hoe ik Hem kon raken en daarom kreeg ik al mijn hartstochtelijke verzoeken onbeantwoord geretourneerd.
Tijdens mijn zoektocht naar oude en nieuwe gebeden viel me op dat de grote Adressant direct beinvloed wordt door de toon van het gebed en door de intentie van degene die bidt:

‘Wiens schuld is het, dat ik met naieve blikken niet verdiept was in die eeuwig stille glinstering, maar staarde naar levendig bewegende beelden, dat ik geen aandacht had voor het fluisteren van verre geheimen, maar geboeid was door het rumoer van de dans, dat ik de mond en het hart naar de verleidelijke vreugde neigde.
Een traan van ongerustheid, dat ik alleen ben in de menigte, en we zijn alweer samen God, Jij met mij.’

Die tedere toon kan al zo’n ontroering teweegbrengen dat er als vanzelf een opening in onze afhankelijke geest ontstaat. Lege plekken op ons verlanglijstje.

Want stel dat God ons net zo nodig heeft als wij Hem. Dat Hij, net als Jezus, ook naar steun zoekt. ‘Kun je niet één uur met mij waken?’ ‘Mijn God mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?’ Dan is er dus werk aan de winkel. Dan kunnen we niet in onze vertrouwde slachtofferpositie blijven zitten. Dan moet ook Hij gerustgesteld worden.
Etty Hillesum heeft dat als geen ander begrepen. Haar woorden vormen voor mij dan ook het absolute hoogtepunt van deze bundel. Met haar onvergetelijke en ontroerende zin ‘Ik zal je helpen God, dat jij het niet in mij begeeft’ weet zij de kern te raken van ons menselijk potentieel. Als jonge joodse vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog zag zij de wereld steeds vijandiger worden en uiteindelijk werd ze in 1943 in de gaskamer vermoord. En juist tegen de verdrukking in nam haar vermogen tot liefhebben en dankbaarheid toe.
De God die zij in die verschrikkelijke tijd dacht te moeten helpen en beschermen, bleek uiteindelijk niets meer of minder dan het koesteren van haar eigen devotie en openheid voor alles wat zich aandiende in haar leven. Dat deed ze speels. En juist in dat spelen kwam haar verwondering steeds opnieuw tot leven. Zij werd medeschepper van de werkelijkheid naast God.

Want misschien zit die grote hulpbeheovende e-mailontvanger wel in ons eigen hart. Maar omdat we voortdurend buiten hangen en wachten op andermans mening, missen we onszelf, zijn we nooit thuis en komen onze smartelijke mailtjes nooit aan.
Mystici van alle tradities hebben de Christus, Gods eigen gelaat, de boeddhanatuur of hoe je het ook wilt noemen in zichzelf herkend. Bij hen wordt een gebed een dagelijkse fitnesstraining voor hun eigen ziel. Bijvoorbeeld de dertiende-eeuwse Jan van Ruusbroec, die zijn eigen wijsheid wakke roept met:
‘Kom, delf op mijn ware gelaat, maak mij mooi, maak van mij Jouw liefste mens, ik kan niet meer zonder Jou, Jij die woont in mij, opborrelende Minne –krachtwassend water dat leven doet. Kom, leef Je uit in mij!’ Of Jan Luijken (1649-1712), die beschrijft hoe hij God eerst buiten zichzelf zocht, maar uiteindelijk een krachtige oproep vanuit zijn binnenste kreeg. Het ‘drong uitwaarts’.
Zo wordt bidden het voortdurend wakker roepen van ons menselijk potentieel. En iemand moet het doen. Want van een ander kunnen we hoogstens wat sympathie verwachten, maar als het er werkelijk op aankomt, moet jij er voor jou zijn.
Juist degenen die dat begrijpen en zich aan die eenzaamheid durven overgeven, zijn in staat een ander te bemoedigen. Deze mensen worden dan zelf de grote e-mailontvangers met een reply: bijvoorbeeld Nelson Mandela en de Dalai Lama.
Blijkbaar is een mens die zelf vrijmoedig heeft durven ontvangen, in staat tot grote gulheid.
Bidden blijkt dan veel meer te betekenen dan het indienen van verzoeken. Uiteindelijk is het mogelijk om de aspiratie te ontwikkelen om onze dankbaarheid en ons leven te offeren voor het geluk van alle wezens. Dat lijkt nu misschien onhaalbaar, maar waarom zou spiritualiteit meteen voor het grijpen moeten liggen, terwijl iedereen begrijpt dat een topsporter of een concertviolist veel heeft moeten oefenen? Volgens cultuurfilosoof Bram Moerland is bidden een kunstvorm, een die ‘raakt aan een nog onbeschreven dimensie van het bestaan, waardoor die verborgen dimensie op een geheimzinnige manier ervaren kan worden’ (zie: Schatgraven in Nag Hammadi).
Kunst moet beoefend worden, net als pianospelen. Je kunt ervoor doorleren. Al spelend herinneren we onszelf dagelijks aan het wonder dat we leven.
Hoe vaker we ons overgeven aan die verwondering, hoe groter ons hart wordt, hoe soepeler en krachtiger ons zelfvertrouwen.
Als we gevuld zijn met liefde, is er geen ruimte meer voor achterdocht. Hoe verder in de bundel, hoe ruimhartiger de gebeden. Dus tijdens het lezen verandert de vragende toon van kleur. Ruimhartigheid leidt uiteindelijk tot overgave. Zoals de herfst niet protesterend op de rem gaat staan als het geen dertig graden meer is, zo kan een mens zijn sterfelijkheid ruimhartig omarmen. ‘Maak mij gelijk Heer, aan die stervende blaadjes, die ik vandaag in ’t zonlicht op de hoogste tak van de olm zie sidderen. (…) Hun hart offerbereid’ is het herfstgebed van Ada Negri.

Natuurlijk zijn deze gebeden niets meer dan bordjes langs de kant van de weg. Richtingaanwijzers op ons eigen individuele pad. Vingers die naar de maan wijzen. Hebben we die stralende man eenmaal in het vizier, dan zijn vingers en bordjes overbodig geworden. Maar uit ervaring weet ik hoe feestelijk het kan zijn om de goede kant op te worden gewezen. Voor die wijze wegbewijzering dank ik ook Sogyal Rinpoche en Bram Moerland. En alle makers van de gebeden.
Ook al lopen we allen ons eigen pad, liefdevolle richtingaanwijzers met humor maken die weg verbazingwekkend vrij en verleidelijk.

De oude Simeon in de tempel (Lucas 2:29-32) sluit deze bundel af. Als hij sterft, zegt hij dat het goed is, omdat zijn ogen heil gezien hebben. Mijn wens is dat iedereen dat kan zeggen aan het eind van zijn leven. Mijn ogen hebben heil gezien.
Gebed 100 bestaat nog niet. Misschien welt dat nog op. Bij u.

Dit artikel werd op dinsdag 10 oktober 2006 geplaatst onder Artikelen
terug naar boven | home

Email will not be published

Website example

Your Comment:

Spam Protection by WP-SpamFree



terug naar boven home
  • "Vavanond weet acteur Hans Dagelet een mooie link te leggen tussen angst voor inbraak en voor aftakeling. IJsmutsje af!#Nachtzoen #Ned2 00.54"
    yesterday
    "@isimediaNL Fijn, maar nu weet je de mijne vast: Waartoe zijn wij op twitter? Kom je uit, voel ik nu al...."
    yesterday
  • laatste reacties
  • Nelly van Haren { Mooi! De kerstlampen in de... } – 8 feb
  • Nelly van Haren { Dag annemiek, Leuk! Opvallend aan... } – 8 feb
  • mariekevn { Geweldig! Dat is nog eens... } – 6 feb
  • Annemiek { Ja de Arielfabriek! Klopt Nelly! } – 30 jan
  • Nelly van Haren { Yeah! Geweldig! En die mimiek... } – 30 jan