Wakker blijven
Zo bang was hij voor wat komen zou, dat zijn zweet in bloed veranderde.
Hij lag op zijn knieën en smeekte nog of het anders gaan mocht. Zelf wist hij wel beter. Hij zou zich overgeven. Maar nu sloeg de paniek toe.
Men kan het niet, nooit helpen.
Aan zijn vrienden had hij gevraagd erbij te blijven. Niet dat zij het lot zouden kunnen keren. Ook dat was hem bekend.
Maar hij had hen nodig als een wolk van getuigen.
Als een muur van aandacht om hem heen.
Dan zou hij niet zo eenzaam zijn.
Dan zou zijn leed niet onopgemerkt blijven.
Hij verlangde er naar gezien te worden door de mannen van wie hij het meeste hield.
Alsof ze met z’n allen leden van één lichaam waren. Dan zouden alle ledematen mee lijden. Ja, als iemand begreep hoe logisch, hoe natuurlijk, hoe vanzelfsprekend dat is, dan was hij het wel.
Maar zo geschiedde het niet. Zijn vrienden dommelden weg. En hij was alleen.
Zelfs voor hem was die eenzaamheid onverdraaglijk. Of, eigenlijk…juist voor hem. Hij was mens geworden en dan krijg je dat.
Dus maakte hij zijn vrienden wakker en vroeg: ‘Kunnen jullie niet één uur met mij waken?’
Eén blik, een hand, één traan kan genoeg zijn.
Hij wist dat mededogen geen onbegonnen werk is.
In het kleine gebaar is het iedereen gegeven.
Daar had hij al zo’n vermoeden van gehad.
En nu wist hij het zeker.
Hij ondervond het nu immers aan den lijve.
Zijn lijden had zin, want nu wist hij hoe anderen hadden geleden en nog lijden zouden in de verre toekomst.
Wat een ervaring Er welde een gevoel van dankbaarheid in hem op.
Hij nam zich voor om wakker te blijven.
Er bij te blijven als het er op aan komt.
Weer knielde hij neer. Nu met een gelofte. Een gebed:
‘Zolang er ruimte is
en voelende wezens voortleven,
moge ook ik blijven bestaan
om de ellende van de wereld te verdrijven.’
Toen boog hij zijn hoofd en gaf zich over.