De lanen uit
Vele Hilversumse collega’s hebben te maken met seizoensarbeid. ’s Winters is het zenden, roeien en vragen stellen geblazen, maar in de zomer kan men zich van een heel andere kant tonen. Ook aan zichzelf.
Zoiets helpt enorm bij het voorkomen van beroepsdeformatie en aangekoekte zelfbeelden.
Zo zou een mens zich in de rol van presentatettetje gemakkelijk kunnen gaan verbeelden enorm extravert en sociaal te zijn. En daardoor vergeten de eenzelvige zwerver in zichzelf te voeden, die aldus omkomt van honger en verwaarlozing.
Daarom loop ik nu in de Midi-Pyreneeën een stuk van het pelgrimspad richting Santiago de Compostella.
Mij gaat het niet om dat eeuwenlang bezochte magische einddoel, maar om het van huis gaan. Om net als Roodkapje het door mijzelf platgetreden pad te verlaten.
Het reiken is me liever dan het bereiken, bedenk ik als ik m’n trouwe, oerlelijke schoenen uitdoe om de blaar op m’n hiel te inspecteren.
Juist achter een zogenaamd einddoel zal de horizon immer lonken en knipogen. Net zoals op ieders levenspad.
Op zoek naar een pleister, vind ik in de zak van m’n spijkerbroek een verkreukelde, meegewassen papiersnipper met een flard van een vertaald gedicht van Herman Hesse:
‘Slechts wie kan weggaan en tot reizen is bereid,
ontkomt aan de verlamming die de sleur ons brengt.
Misschien stuurt ook ons stervensuur ons ooit,
heel jong nog, nieuwe oorden tegemoet.
De oproep die het leven aan ons doet, sterft nooit:
Kom hart, neem afscheid en genees maar goed.’
Pfff…Ik steek de snipper terug en weet dat het pad vandaag nog hobbeliger en steiler wordt.
Thuisgebleven geliefden vreesden dat eenzaamheid mijn grootste struikelblok zou vormen.
Maar ik vermijd juist de pelgrimsoorden waar talloze voetgangers ‘s nachts uitrusten. En overdag kom ik gelukkig bijna niemand tegen. Mij is het een raadsel dat pelgrims vrolijk kwetterend gezamenlijk optrekken.
Deze woestijn van eenzaamheid, de hitte, het hijgende klimmen -om over het krampende dalen nog maar te zwijgen- maken een mens zacht, soms huilerig. En blaren weten me nu al te vertellen dat hiel en ziel verbonden zijn. Toch voel ik me niet alleen. Tallozen zijn mij vooruitgesloft. Ik loop in een traditie en zoek op m’n I-pod de Années de Pèlerinage van Franz Liszt.
Deze stukken zijn minder virtuoos dan men van de branieschopper Liszt vaak weet en ademen een harmonieuze expressie die de monnik in hem eren. De muziek is gebaseerd op indrukken die Liszt opdeed tijdens de reizen die hij zijn hele leven maakte.
De verschillende delen hebben troostende titels en zijn mij als richtingaanwijzers op dit avontuurlijke pad dat voortdurend nieuwe perspektieven en uitdagingen biedt:
‘Aan de oever van een bron’,
‘Storm’,
‘De heimwee naar het moederland’,
‘Tranen om tegenslagen’,
‘Klaaglied bij de cipressen’.
En de muzikale pelgrimage van Liszt eindigt met :
‘Verheft uw hart’, Sursum Corda.
Pffff, het lijkt onze C.V. wel…..




Een wereld van verschil
!
Ik ben al jarenlang op zoek naar een heel mooi gedicht van Herman Hesse over iemand die net de dood was ingesprongen en zich toen realiseerde dat hij/zij net zo goed het leven had kunnen inspringen. Op mijn 21e gelezen, was direct diep onder de indruk maar helaas nooit meer teruggevonden. Kun jij of iemand anders me verder helpen?
Hallo Ceylan,
wellicht staat het gedicht dat je zoekt op deze site.
http://www.tokado.at/index.html?http://www.tokado.at/hesse_n1.htm