Later als we groot zijn
Er komt een tijd dat kinderen niet meer willen geloven dat het nog maar 100 jaar geleden is dat er biggetjes zonder verdoving werden gecastreerd.
Ja heus lieve kleintjes, toen vonden de mensen de smaak van gave big te natuurlijk. De stoere jongens die de biggenballetjes verwijderden, droegen een koptelefoon met muziek om het babygekrijs te overstemmen.
Als deze kinderen daar dan foto’s van te zien krijgen, zullen ze denken dat er flink gefotoshopt is. Ook de ontelbare lichamen van doodgemaakte dieren, hangend in liefdeloze knijpers, het zal te onbegrijpelijk zijn. Of dat de mensen jassen wilden afpakken van zachte zeehondjes. En stelen deed je dan met knuppels, want het waren gevaarlijke dieren. De kinderen zullen er lacherig van worden. Van ongeloof
Als we later groot zijn kan geen mens zich meer indenken dat we daartoe in staat waren.
Niet dat de mensen later zullen vinden dat wij slecht waren. In hun ogen waren wij alleen een beetje dom. En deerniswekkend.
Wij zullen worden aangeduid als die lui van het Tijdperk van Afgescheidenheid. Toen de mensen nog precies wisten waar ze zelf ophielden en de buitenwereld begon. We zullen als volgt de geschiedenis ingaan:
“Men zag de werkelijkheid als een verzameling afzonderlijke dingen en wezens.
In feite was men in het begin van de 21e eeuw niet veel verder dan de 16e eeuwse eilandbewoners die werden overvallen door piraten. Deze mensen zagen wel de boeven op hen af komen, maar het aangemeerde schip hebben ze allemaal over het hoofd gezien. Puur omdat ze er geen referentiekader voor hadden. Eeuwen later was dat nog niet veel beter. Men had niet in de gaten dat ieder individu eenzaam en afgescheiden opgesloten zit in z’n eigen beperkte ervaringswereld. Bijna niemand had weet van het grote verband. Men dacht toen nog dat iedereen een afzonderlijk golfje was en zag de zee over het hoofd. Te pletter slaan was het ergste wat je kon overkomen. Dat elk golfje gewoon weer terug de zee in gaat, niemand die dat durfde denken. Jij bent gewoon mij in een andere vorm, maar men had daar geen idee van.
Het besef dat er geen energie verloren gaat, beperkte zich alleen tot de natuurkunde. Men begreep niet dat het menselijk wangedrag ten opzichte van dieren en elkaar als een boemerang op je terugketst. Vandaar dat er ook geen oorzaak werd gevonden van het algemeen gevoel van onbehagen.”
Zo zullen ze ons evalueren. Deerniswekkende wezens die niet in staat waren zelf de pijn van de knuppel te ervaren.
Het zeehondje zal niet per definitie als slachtoffer worden gezien. Echt mededogen zal er zijn voor de hand die de knuppel hanteert. Zij wisten niet wat zij deden. Vergeef het hun. Als we werkelijk zouden beseffen wat we ander aandoen, zou het niet in ons hoofd opkomen. We zijn niet slecht, maar in de war. Ze zeggen dat Jezus mens geworden is. Nu wij nog. Dat kan nog even duren, maar dan heb je ook wat.

