Vandaag zal hij sterven
Hij moet heel zachtjes praten. Van zijn hand maakt hij een gulle kom die zowel de hoorn als zijn mond omvat. Wat hij te zeggen heeft, is in de omgeving waarin hij zich bevindt ongewenst. Dat hij ongepaste dingen vertelt is vast wel vaker voorgekomen in zijn leven, maar juist nu is dat omfloerste praten een tikje vreemd. Of is dat niet goed gezegd? Is het hilarisch? Of smartelijk?
Die vraag lijkt hem niet te deren. Hij is zichzelf zoals hij dat altijd is geweest. Voortvarend, humoristisch, kalm. Wat er veranderd is, zijn zijn armen. En z’n blik. Zijn blauwe jongenspyama-mouwen komen onherkenbaar doorschijnend boven de deken uit. Zijn ogen zijn sinds twee weken wonderlijk naar binnen gekeerd. Maar zijn stem is niet veranderd. Daarmee praat hij met kinderen, artsen, begrafenisondernemers. Hij is zijn eigen dood aan het regelen. Aan de telefoon. Dat is een beetje lastig vanuit een hospice, want daar word je geacht te sterven op Gods eigen tijd. Dat heeft hij een tijdje geprobeerd, maar God is hem vergeten zegt ‘ie en daarom gaat hij Hem een handje helpen. En dat moet dus in het geniep. De arts van het hospice wil hem wel helpen, maar dan wel ergens anders. Dus hij moet terug naar huis. Arts Twee moet constateren dat hij ondragelijk genoeg lijdt. Dat zal een lastige klus zijn. Want deze man lijdt misschien wel minder dan menig beklemde jongere of bekommerde oudere. Zonder enige angst ligt hij te wachten op het moment dat hem al zo lang geleden is aangezegd en waarvan hij weet dat hij niet te pletter zal gaan vallen. Zoals een dartelend en onoplettend babyvalkje door de lucht speelt in de zekerheid dat de vadervalk gestaag onder hem vliegt. Toch valt hij maar niet, hoe ie ook kopje duikelt. Daarom gaat hij de vadervalk helpen.
Maar daarvoor moet hij terug naar huis. En thuis is een chique serviceflat boordevol gelovige medebewoners. Die zullen maar schrikken van zijn genereuze hulp aan God. Zij zullen vrezen voor zijn zielenheil. Dat wil hij hen besparen, dus ook daar moet een liefdevolle smoes geproduceerd worden. Voor ons toch nog onverwacht enzo.
Waarom valt hij eigenlijk niet? Hij is toch luchtig offerbereid en als een herfstblaadje in staat om alles los te laten. Stofnesten uit het verleden zijn weggezwabberd, rekeningen allang vereffend, kinderen gekust en gezegend.
Maar dat lijf, dat tanige lijf. Jappenkamp overleefd, groot gezin afgeleverd en nog steeds zin in een sigaretje.
Het is vreemd dat hij nu al weet dat ie aanstaande dinsdag in de grond gestopt wordt. Hoe zal het daar zijn? Of zal hij wegzweven? Oud en de dagen zat, het lijkt wel of hij zelf die zin bedacht heeft.
Een mens zou denken dat als hij dood wil, dat ie dan stopt met eten. Maar zo is het helemaal niet. Elke ochtend doet hij zijn ogen open en dan kruipt onmiddellijk het natte krantengevoel z’n maag binnen. O nee, ik ben er nog. Meteen na dat moment krijgt hij trek in een ontbijtje.
Dat is toch helemaal niet logisch? Ach nou ja, dat is een onzinnige vraag. Veel beter is het nu om even naar de vadervalk te zweven. Gaat ie nog? Alles onder controle? Mooie zin hebben ze over je geschreven daar in den beginne. ‘En God zag dat het goed was. ‘
Daar had je gelijk in, valk. Het is goed zo. Ik zal je helpen. Je zweeft al 87 jaar oplettend onder me. Kom jij maar eens in m’n armen lieve oude vader. Alles is geregeld. Vandaag is het vrijdag. Hier ben ik.

