Paasinterview voor het NCRV-blad ‘Vier’

april12

Door Bea Kastrop, april 2008

Interviewster en schrijfster Annemiek Schrijver is even erudiet als sexy en even krachtig als kwetsbaar. Schrijver: “Pasen is opstanding, maar er valt niets op te staan als je niet gevallen bent.”
Je zou haar qua uiterlijk eerder in een glamourprogramma plaatsen, maar Annemiek Schrijver is de vrouw van de diepgravende gesprekken bij de IKON. Wekelijks ontmoet ze in Het vermoeden toonaangevende personen op godsdienstig, literair en wetenschappelijk gebied. Vorig jaar verscheen haar debuutroman Rachab, waarin hoofdpersoon Manon –evenals Schrijver zelf een meisje uit een goed gereformeerd milieu- gefascineerd raakt door de bijbelse hoer Rachab. Zowel in haar boek als in haar interviews, probeert Annemiek Schrijver door te dringen tot wat mensen werkelijk beroert en in beweging brengt. Vandaag zijn de rollen omgekeerd.
Wat versta jij onder levenskracht?
“Volgens mij is levenskracht dat je niet de werkelijkheid ontkent, dus ‘ja’ zeggen tegen alles wat zich aandient. Dat doen we eigenlijk nooit. We leven voornamelijk tussen hoop en vrees en tussen afschuw en begeerte. Ik denk dat dat de reden is –en dat geldt zeker ook voor mij- dat we ons vaak unheimisch voelen, dus ‘niet thuis’, niet verankerd, angstig. In staat zijn om ‘ja’ te zeggen tegen de hele werkelijkheid, met alles erop en eraan, dáár zit onze levenskracht. Ik denk dat we daartoe in staat zijn, alleen blokkeren we het zelf.” “Als het een keer lukt, dan zal blijken dat tegenslag of verdriet of lijden ook een soort volheid kunnen hebben. Ik kan alleen over mijn eigen ervaring spreken en ik zeg niet dat ik het elke dag kan. Ik zeg überhaupt niet dat het leven zo in elkaar zit dat je alles constant kan. Maar ik merk de laatste tijd dat als je open staat –dus ‘ja’ zegt- dat lijden en geluk eigenlijk samengaan.”
Je roman Rachab gaat over totale overgave. Is dat een verlangen van jou?
“Ja. Overgave is ‘ja’ zeggen.”
Ben je daar zelf dichterbij gekomen door het schrijven van dat boek?
“Ja, Het grappige is dat er heel erg om het hoogtepunt –om dat ‘ja’ zeggen- wordt heengelezen. Op het moment dat Manon, de hoofdpersoon, wordt aangevallen door een idioot met een mes, hoort zij de Mattheüs Passion, waar Jezus in Gethsemane zegt: niet míjn wil, maar uw wil geschiedt. Dat is natuurlijk de ultieme overgavedaad. Dan geeft zij zich over aan de werkelijkheid. Dat ze eigenlijk bij Jezus wil zijn. Ze wil hem helpen. Dat is voor mij waarom ik het boek schreef.” “Er is veel lef nodig voor overgave. Jezus wordt in onze cultuur vaak afgeschilderd als een zachtaardig iemand. Een beetje een sukkel. Maar als je ziet wat er over hem geschreven wordt, dan was hij driftig, liep weer eens de woestijn in… hij was me er eentje! Het inzicht dat ik na het schrijven van dat boek heb gekregen, is dat mensen die zich over kunnen geven –zie Jezus- geen slappe doetjes zijn. Je moet een enorme persoonlijkheid zijn om je te kunnen overgeven. Dat is de krachtigen gegeven, niet de slapperdjes. Je hebt lef nodig om ‘ja’ te zeggen tegen de werkelijkheid, want dan moet je ook alle pijn en verdriet tot je nemen.”
Pasen en levenskracht…
“Pasen is opstanding, maar er valt niets op te staan als je niet gevallen bent. Er móet gestorven worden, wil er nieuw leven komen. Er moet losgelaten worden. Er moet leed zijn. En levenskúnst is volgens mij, dat je ook de vreugde van dat vállen gaat ervaren. In verlies kan ook schoonheid en intimiteit zitten.”
Leer je van de gesprekken die je in Het vermoeden voert?
“Ja zeker. Er zijn heel wat levenswijsheden die ik in mijn rugzak stop. Ik probeer me ook te bekwamen in het vragen stellen en het luisteren. Soms is het bijna een soort dans die ik met iemand aan het doen ben. Ik doe het al zo lang dat het pas echt bevredigend voor mij is als er ter plekke iets gebeurt. Met die oude Gilles Quispel van in de negentig bijvoorbeeld. (Gilles Quispel was een Nederlandse theoloog, onderzoeker van het christelijke gnosticisme red.). Ik vroeg hem iets heel persoonlijks. Quispel was echt een man waar mensen een beetje bang voor waren, dus niemand had hem ooit zoiets gevraagd. Hij was een tikje gepikeerd en zei dat hij het een impertinente vraag vond. Ik dacht: ik doe niks. En het bleef een tijdje stil. Toen zei hij: maar als u het per se weten wilt… en toen kwam er een prachtig antwoord. Dat is interessant. Want als ik alleen maar in mijn ego was gaan zitten van: nou ja, sorry hoor, dan was er niks gebeurd. Lef is ook vaak niks doen.”
“Door een andere gast, Bram Moerland, ben ik geïnteresseerd geraakt in de gnostiek. Hij heeft net Schatgraven in Thomas geschreven, over het Thomas Evangelie. Ik las ooit een ander boek van hem en heb hem uitgenodigd in Het vermoeden. Het laatste vers uit het Thomas Evangelie raakte me echt enorm. ‘Het koninkrijk van God is uitgespreid over de aarde, maar de mensen zien het niet’. Dat was een enorme eye-opener. Ik dacht: ja! Het wonder is híer! Maar wij leven zo van: wij moeten nu op de juiste manier leven, om het láter goed te laten zijn. Zoals we ook onze kinderen opvoeden: als je nú je bord leeg eet, dan krijg je stráks een toetje. Alsof dat éten niet geëerd moet worden!”
Je bent vrijgemaakt gereformeerd opgevoed en beoefent al jaren het boeddhisme. Vult dat elkaar aan?
“De theoretische kennis die ik vanuit het christendom heb, komt door het Boeddhisme tot leven. Mijn leraar is Sogyal Rinpoche, een Tibetaan die vergelijkende godsdienstwetenschappen heeft gestudeerd in Londen. Hij zegt steeds maar weer dingen over Jezus waarvan ik denk: dat kén ik! Pas nog had hij het over ons innerlijke karma. Hij zei:’het is net als wat Jezus zei: klop en de deur zal opengedaan worden. Als je niet klopt, wordt dus niet open gedaan. Jíj moet beginnen! Pas als jij je hart verheft, kan het wonder gebeuren’. Ik denk: klop en de deur zal open gedaan worden? Dat is een christelijke tekst, maar ik heb er altijd overheen gelezen. Zo gaat het heel vaak.”
“De kern van het Boeddhisme is meededogen. Door het Boeddhisme leerde ik dat er een enorm verschil is tussen medelijden en meededogen. In medelijden zit angst. Dat verkrampt. Ik had altijd een enorme angst voor andermans lijden. Vroeger woonde ik op de Nieuwmarkt, midden tussen de verslaafden. Ik kon er helemaal niet tegen. Ik dacht: doorlopen! Ik wil het niet zien! Zo ongelukkig! Terwijl je bij meededogen het lijden aanvaardt en je ervoor openstelt. Dat kun je oefenen. Het lijkt misschien kinderlijk, maar als ik nu langs verslaafden loop, denk ik bij mezelf: moge het je wel gaan, moge je veilig zijn. En dan opent mijn hart zich. Dan ben ik niet meer bang en daar heeft die verslaafde ook wat aan. Want dan zeg ik: Hallo Kees! Hoe gáát het met je? Angst…daardoor was ik vroeger als kind zo verkrampt… Veel mensen denken dat het tegendeel van liefde haat is, maar het is angst. Uit angst doe je alle deuren dicht. Terwijl achter die deuren liefde zit. Dat is levenskracht.”
Hoe belangrijk is mediteren voor jou?
“Mediteren is een groot algemeen woord. Ik beoefen de ngöndro, een programma dat bestaat uit een reeks oefeningen die je geacht wordt iedere dag te doen. Het begint ’s ochtends met het oproepen van je eigen wijsheidsgeest. Dat zou je ook je Christusbewustzijn kunnen noemen. Ik doe het vaak in de trein. Merkt niemand iets van.”
Als je het niet doet, verloopt je dag dan anders?
“Dan verslapt alles onmiddellijk. Het is te vergelijken met naar de sportschool gaan. De een traint zijn lichaam, de ander traint zijn innerlijk. Het lamlendige, het stuurloze, treedt onmiddellijk op als je het laat verslonzen. Alles wat zich niet vernieuwt gaat dood, verstopt en verpietert als je er geen levenskracht instopt. Dat geldt ook voor relaties. Dus is het zaak om er je warme, liefdevolle aandacht aan te geven. Dat is dus eigenlijk medeschepper zijn naast God. Volgens mij is de schepping niet af, maar wil Hij graag dat wij Hem helpen die schepping te vervolmaken.”
Dat is nogal iets anders dan wat je in jeugd is bijgebracht over zondigheid en onderwerping.
‘ Ik vind inderdaad dat wij in de christelijke kerk weinig rituelen hebben om die band met God te onderhouden. En weinig kapstokken om er in ons dagelijks leven mee om te gaan. Maar dat hele denkbeeld van niks kunnen en niks voorstellen, zit niet alleen in het gereformeerde hoor. Dat zit allang in ons grondwater. Dat zit overal.”
Je bent meestal de vragensteller. Maar kortgeleden heb je voor het eerst gepreekt. Ga je dat vaker doen?
“Het smaakte wel naar meer ja.”
Je vind dus dat je iets door te geven hebt.
“Ja. Soms denk ik: laat mij nu maar eens even uitleggen. Dat is wel een nieuw ding. Mijn boodschap is dat wij tot veel grotere dingen in staat zijn en veel meer levenskracht hebben dan we denken. Niet onze zwakte, maar juist onze kracht jaagt ons angst aan, citeerde Mandela al. Dat verhaal wil ik op mijn manier uitdragen, in de media, op het toneel, noem maar op. Dat vind ik een mooie missie. Mensen meer in hun kracht zetten. Kijk nu eens hoe je écht bent. Alle zinnen die beginnen met : ‘ik ben’, zijn niet waar. Ik ben de baas! Is heel soms waar. Maar als jij echt je toevlucht neemt tot die zekerheid, dan zul je heel ongelukkig worden. Want je bent vaak niet de baas. Zeker niet als je met pensioen gaat. Met emoties hetzelfde. Ik ben kwaad! Hoe vaak ga je wel niet naar bed, kwaad op je partner. De volgende ochtend weet je nooit meer waarom, maar je moet veinzen, want je was wél kwaad.” Kijk nu eens hoe je écht bent en haal er nu eens uit wat er in zit. Ik weet niet of ik dat zelf doe, maar ik zou het wel tegen anderen willen zeggen.”

Sociale media:

  • email
  • Print
  • Hyves
  • Twitter
  • MySpace
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks
  • del.icio.us
Dit artikel werd op zaterdag 12 april 2008 geschreven onder Interviews
terug naar boven home

Email will not be published

Website example

Your Comment:

Spam Protection by WP-SpamFree



terug naar boven home