Parool PS – Het leven moet nog beginnen
Parool interview 24 maart 2007
door Maurits Schmidt
Ik wil weten wat overgave is
Annemiek Schrijver (42), Ikon-presentator, publiceerde vorige maans haar – deels autobiografische – romandebuut Rachab. Over een meisje dat opgroeit in een orthodox-christelijk milieu en gefasineerd raakt door de heilige hoer Rachab. ‘Het is helemaal niet blasfemistisch, het is juist een vroom boek’.Waarom twee tv-programma’s tegelijk, Rupsje Nooitgenoeg?
“Er is er nog maar één, Het vermoeden. Alziend oog is gestopt. Dat is Ikon-beleid. Zo heb je alles, zo heb je niks. Het eerste is een religieus programma, het tweede ging over inzichten. In Het vermoeden interview ik dienstbaarder dan in Alziend oog. Tenminste, dat denk ik. Ik ben goed in me aanpassen. Maar wordt het nog gezellig?”
Rupsje maakt ook nog radioprogramma’s.
“Talloze. Ook verleden tijd. Ik ben een beetje klaar met interviewen. Vindt u ook niet dat de meeste interviewers alleen maar oordelen in plaats van vragen stellen?”
Door u een (voor)oordeel voor te houden, komt uw eigen visie scherper over.
“Dat denken alle niet ter zake kundige interviewers, maar zo is het niet. Zie Paul Witteman die mij doorzaagde over de seksualiteit in mijn boek. Saaie journalistiek. Wat is de vraag?”
Vertel eerst maar even wat goede journalistiek is.
“Nieuwsgierigheid. Openheid. Echt iets willen weten. De meeste babyboomers zijn te cynisch en te teleurgesteld en geven meninkjes waarvan ze denken dat het open vragen zijn.”
Rupsje maakt een dagbladcolumn.
“Ook al, na een jaar, gestopt. Omdat De Gelderlander op tabloidformaat ging.”
En u schrijft allerlei artikelen, blijkens uw website.
“U doet of ik het druk heb, maar het valt reuze mee.”
U beoefent toch heel wat disciplines.
“Ach, het is één pot nat. Je schrijft eens wat, vraagt eens wat. Allemaal woordenspel.”
En nu ook nog een boek.
“In drie maanden geschreven. Ongelofelijk. Tussen 1 juni en 1 september, in m’n tuinhuisje.”
Dat gelooft niemand natuurlijk. Alsof dat niet van tevoren is bedacht.
“Nee. Nooit één seconde over nagedacht. Het boek hangt aan elkaar van anekdotes uit mijn tv- en radio-interview. Er zijn ook autobiografische elementen. Maar vooral ware verhalen uit mijn herinnering, waarvan ik dacht dat ze er al uit waren verdwenen.”
Dus het is niet de Heilige Geest die u dit allemaal heeft ingefluisterd.
“Ook wel, denk ik. Het was een wonderlijke inblazing. Het is snel en luchtig geschreven, het heeft niet veel om het lijf.”
‘Mijn geliefde zegt; als jou iets niet komt aanwaaien, laat je het meteen vallen. Daarin heeft hij gelijk. Ik ben lui.’
U roept maar wat. Er staan loodzware filosofische, godsdienstige, theologische begrippen in.
“Ik ben inderdaad nogal religieus aangelegd. Maar het gemakkelijk schrijven is me overkomen.”
Komaan, u hebt talent. Hebt u veel W.G. van de Hulst gelezen?
“Ja. En nog steeds Donald Duck, grote inspiratiebron. Die maakte me taalgevoelig en ad rem. Maar wilt u nu weten waarom ik Rachab heb geschreven?”
Ja.
“Omdat ik wilde weten wat overgave is aan alles wat zich voordoet. Ik had als tragisch muurbloempje geen idee.”
Hoezo niet? U kende de volstrekte overgave aan de Here Jezus. Zo kon je genade ontvangen.
“Dat zeiden ze wel, maar die kerk gaf geen zintuiglijke schoonheid, geen kunst, niets. Alleen het woord. Daaraan heb ik geleden. Ik wilde onderzoeken wat ‘tot leven komen’ is.”
Wanneer bent u van die kerk losgekomen?
“Dat is niet zo duidelijk. Het religieus verlangen is gebleven. Ik wilde me wel overgeven. Die kans gaf de kerk niet. Hete hoofden, koude harten, het was altijd: ík heb gelijk. Ik dacht steeds: het leven moet nog beginnen. Wanneer springen we nou eens van de hoge duikplank af?”
Voor mij gaat het leven altijd door. U denkt dat het nog moet komen.
“Als kind al. Ik hoopte dat de badmeester zei: ‘spring!’ Maar nee, er waren altijd mitsen en maren. Mijn grootste desillusie was dat het buiten de kerk nog veel dogmatischer bleek te zijn: de kunstwereld, de omroep. Die werelden zijn niet vrij, integendeel. Daarin verschilt de kerk niet van de buitenwereld. Wat wilt u weten?”
Overgave betekent dat je je ergens in stort.
“Daarmee bedoel ik ook dat we niet voortdurend het hoofd moeten afwenden. Laten we zwervers eens een euro geven.”
Je kunt niet voortdurend de last van iedere zwerver op je nemen.
“Er is toch een tussenweg mogelijk?”
Juist. Dán leef je. Terwijl goeroes je vertellen dat je via hen pas echt tot leven komt.
“Dan moet je aan hún dogma’s voldoen, wat helemaal niet nodig is.”
U voldoet alleen nog aan uw eigen dogma’s.
“Ik probeer steeds uit nieuwe dogma’s te stappen. Het inzicht van vandaag is de gevangenis van morgen.”
Uw dogma is de dogmavrijheid.
“Ik snap uw gezellige punt, maar nee.”
Naast overgave wilt u ‘mededogen’ geven; In hoeverre zoekt u dat voor uzelf?
“Je voelt eerst mededogen voor jezelf. Altruïsme is een intelligente vorm van zelfliefde.”
Betekent het niet juist dat u zelf liefgehad wilt worden?
“Lief gevonden willen? worden is een neurose, een verslaving. Daarmee kom je nog niet tot je bestemming. Het gaat erom of je een ander kunt liefhebben.”
Verwaarloost u dan de liefde voor uzelf?
“Nee, maar daarvoor heb je de erkenning van de ander niet nodig. Je loopt over, hebt genoeg liefde voor iedereen. Je kunt, net als mijn hoofdrolspeelster Manon, in een parenclub gaan liggen, je kunt het ook laten.”
Een groot hart heeft geen parenclub nodig.
“Maar zal het ook niet afgrijselijk vinden. Zoals je ook een man zonder benen kunt liefhebben. Manon zoekt bij hem de vrijheid tussen afgrijzen en begeerte in.”
Veel streng-kerkelijke mensen die los raken vinden iets in de newagehoek. Herkent u dat?
“U probeert me in een hokje te zetten. Als ik ergens iets mee heb, is het boeddhisme. Daar wordt religie meer als innerlijk weten beleefd.”
Hebt u daar een bovenzinnelijke, goddelijke impuls bij?
“Wij zijn meer dan afgescheiden individuen. Dat noem ik niet bovenzinnelijk. We hebben als mens meer potentie dan wij weten. We zijn een te dure computer waarop we alleen Word gebruiken. Dat is zinnelijk. Alleen nog niet gekend.”
Als Bach een werk afhad, zei hij wel: ‘Wat God me nou weer voor mooie melodie heeft gegeven.’ Wij zouden zeggen: het zit in de genen.
“Tijdens het schrijven heb ik aansluiting ervaren op iets groters dan mijn eigen besef.Kader Abdollah zei me laatst dat je tijdens het schrijven stuit op oude beelden, die je niet kunt kennen. Die worden door, pakweg, het grondwater doorgegeven. Zo zet zich iets in de cultuur voort, al lezen we elkaar de bijbel niet meer voor. Dat geloof ik ook wel.”
Daar zou ook talent een rol bij kunnen spelen.
“Wat is talent? Een calvinistisch trekje in mij is dat ik denk dat iets pas wat voorstelt als het moeite heeft gekost. Jan Siebelink schreef zestig boeken in veertig jaar naast een kutbaan als leraar: dát is pas schrijven. Wat ik doe stelt niets voor. Is talent uithoudingsvermogen of iets wat je komt aanwaaien? Mijn geliefde zegt: als jou iets niet komt aanwaaien, laat je het meteen vallen. Daarin heeft hij gelijk. Ik ben lui. Ik doe bijna niks.”
Dan bent u een talentvol meisje. U kunt goed overdragen wat u belangrijk vindt.
“Ik denk dat mensen het helemaal niet begrijpen. Als ik anderen interview, ben ik zo dienstbaar, zo bijna verdwenen, dat ik bijna alleen nog microfoon ben.”
Waarom zouden ze u dan nemen?
“Ja, da’s wel interessant. Misschien hebt u gelijk. Maar ik ben het interviewen een beetje zat. Soms denk ik dat ik het antwoord beter weet dan de gast.”
Dat komt doordat u nu tot die oude cynische babyboomgeneratie begint te behoren.
“Zou kunnen. In Alziend oog, dat nu gestopt is maar nog wel wordt herhaald, verwachtte ik dat mijn gasten als een ziener live zouden uitleggen hoe het leven in elkaar zit, ze hadden best iets brutaler mogen zijn. Bij dat geneuzel denk ik: kom op, oneliners! Als ze niks te zeggen hebben, wil ik eigenlijk geen microfoon meer voor ze zijn. Zelf zou ik ook wel een beetje hoog van de toren willen blazen.”
Hebt u idolen in het omroepwereldje?
“Nee. Wel onder schrijvers. Zo heb ik geprobeerd in de conversaties Maarten ’t Hart te evenaren. De manier waarop die vader praat in De vlieger vond ik geweldig.”
U hoeft dus geen Sonja-Barend-achtige kijkcijfers.
“Dat zou ik wel willen, maar dat gebeurt niet. Ik ben een beetje murw geslagen. Vraagt u: wat wil je nog, dan weet ik het niet. Ik zit een beetje in een vacuüm.”
Is dat niet een beetje blasé?
“Nee, het is een beetje wanhopig zelfs. Ik zit in een zwart gat. Ik weet niet wat ik wil. Ik heb achter dat voorhang gekeken, weet wat daarachter zit, maar kan het geen vorm geven. Dat verontrust mij. Het voelt als een postnatale depressie, maar dan na de geboorte van een boek.”
U bent zo gespannen op zoek geweest om maar iets achter dat gordijn te vinden, dat ik denk: had naar Marilyn Monroe gekeken, dan weet je hoe opwaaiende stof je zicht op de werkelijkheid geeft.
“Dáár noemt u nou iemand! Waarom denkt u dat ze is doodgegaan, dat ze het niet aankon? Omdat ze niet uit haar eigen zelfbeeld kon stappen. Zij geloofde dat ze het sekssymbooltje was en kon daar niet mee spelen. Er waren wel meer vrouwen in die vrouw. Maar zij kon er niet mee omgaan. Ze geloofde wat de buitenwereld van haar vond. Ja, dan word je tragisch. Mij gaat het er juist om dat je meer kleuren op je palet hebt. Ik weet alleen niet hoe ik ze moet gebruiken.”
‘Ik ben niet wanhopig op zoek. Ik ben aleen nu leeg. Zonder ambitie, oordeelloos, bijna onverschillig. Leeg.’
Dan hebt u niets aan die kleuren op dat palet.
“Een goede vriend kreeg een herseninfarct, kwam in de revalidatiekliniek op de Overtoom terecht. Daar hebben ze ook een soort café, dat is veel leuker dan een normale kroeg, want hier zitten de mensen in hetzelfde schuitje. Ik dacht: daar zou ik achter de bar willen staan. Daar kom ik meer tot leven dan door langs de zijlijn te interviewen of te schrijven. Daar sta je toch buiten de wereld. Ik moet een concrete stap nemen door zo’n baantje te doen. Iets échts. Het gaat mij erom dat ik te weinig écht in het diepe duik.”
Wat bent u toch onrustig. Dit mooie boek is toch ook een echte duik in het diepe?
“U vindt het mooi. Sommige mensen, vooral mannen, vinden het helemáál geen mooi boek! Ik kan blijkbaar niet duidelijk maken wat ik ermee bedoel; de boodschap is niet overgekomen. Mensen denken dat het over seks gaat, vinden het schandalig en blasfemisch. Andries Knevel wil mij daarom niet zien. Het is helemáál niet blasfemisch! Het is een vroom boek, geschreven als een parabel. Als dat niet overkomt, is het slecht. Toch?”
Ik denk dat het een vroom boek is.
“Nou! Geef me een hand!”
Erg vroom zelfs.
“Schrijf dat op: érg vroom! Dat is het. Ik ben een non!”
Sterker, ik heb ontdekt aan wie u – althans Manon, de hoofdpersoon in het boek – gelijk bent: de Meester uit het verhaal, die Manon voor de klas voor hoer uitscheldt. De Meester en Manon doen precies hetzelfde: ze geven zich compleet over. De Meester aan zijn godsdienstwaanzin, Manon aan de wereld.
“Da’s waar. De Meester, en eigenlijk iedereen, nagelt Manon aan het kruis, veroordeelt haar. Erger is dat wij in dat oordeel geloven en daarom onszelf ook nog eens aan dat kruis nagelen. Manon gelooft het oordeel van de Meester: ik ben een slechte hoer. Aan het eind van het boek stapt zij uit dat oordeel. Dán is ze vrij.”
En dood.
“Weet je niet. Ze staat ten derden dage op uit het mortuarium!”
En kijk nu eens aan: o, wat is de schrijfster vrij. Ze heeft er een postnatale depressie aan overgehouden. Neem dan een voorbeeld aan uw hoofdrolspeelster. “Interessant voorstel. Als er een tweede boek komt, zou het heten Het ravijn van de vrijheid. Waarbij de vraag is wat Manon heeft ontdekt. Je kunt je wel een moment bevrijd voelen, maar kun je dat ook elke dag uitleven? Dat is de vraag.”
Dat is precies de vraag die ik u telkens stel.
“Ik denk dat het wel kan.”
Ik denk van niet. U, en in elk geval Manon, heeft last van een meervoudigpersoonlijkheidssyndroom. De madonna van de overgave die u zoekt is er nog helemaal niet, omdat u met al die stemmen in uw kop zit. Word dan eerst maar eens barjuffrouw aan de Overtoom. Misschien komt die bevrijding met het volgende boek.
“Zou kunnen. Het boek Rachab zit natuurlijk vol personen die ik ook ben. Oók de Meester. Je bent niet de hoofdpersoon, je bent het boek. We zitten allemaal vol personen. Dat kun je als handicap zien, je kunt ook denken: interessant!”
Het lijkt erop dat u op zoek bent naar iets alomvattends dat moet vervangen wat u in uw ‘vrijgemaakte’ artikel-31-jeugd hebt moeten doormaken.
“Maar ik heb wél een antwoord gekregen. Ik weet nu wat er achter het voorhang zit! Ik heb het ontdekt. Ik ben dus niet wanhopig op zoek. Ik ben alleen nu leeg. Zonder ambitie, oordeelloos, bijna onverschillig. Leeg.”
Zal ik u op dit moment dan maar even verder met rust laten?
“Wat u wilt. Ik snap de vervulling die ik zocht, weet alleen niet hoe je ermee moet leven. Er komt een afschuwelijke recensie in Trouw. Zegt iedereen: goh, wat een nare recensie. Denk ik: was ik met een goede recensie blij geweest? Of iemand er wat mee kan, kan me niet schelen. Ik had wel in de gaten dat Pauw en Witteman het boek niet hadden gelezen en dat ze daarom alleen over seks praatten. Vind ik niet erg. Alleen, er is wel meer.”
Kunt u in twee woorden uitleggen wat er achter dat voorhang te vinden is?
“Da’s heel makkelijk. Niemand vraagt dat, hè? Niemand tot nu toe, terwijl ik dát almaar wil vertellen. Achter het voorhang zit dat wij die te dure computer zijn. Wij zijn tot veel meer in staat dan wij denken. De hoogste menselijke eigenschappen zijn gulheid en mededogen. Dát zit achter het voorhang. Dat vormgeven is mijn nieuwe taak in mijn verdere leven!”
Uw altruïsme, eerder benoemd als intelligente vorm van zelfliefde. U wilt eindelijk eens een keer écht lief gevonden worden.
“Het kan me niet schelen of mensen mij lief vinden.”
Ik vertrouw u niet.
“Ik wórd al zo lief gevonden.”
Omdat u een leuk smoeltje hebt?
“Ik heb genoeg liefde in mijn leven. Stel, ik houd van u. We hebben een relatie. Dan ben ik veel geïnteresseerder in hoeveel ik van u kan houden dan hoeveel u van mij houdt. U mag doen en laten wat u wilt. Ik ben nieuwsgierig naar mijn eigen liefde.”