Uit de diepte roep ik

januari10

Interview met Jan Siebelink dat op 14 januari 2010 zal verschijnen in de glossy
‘Arminius’.

‘Pas de worsteling van iemand die het geloof vaarwel zegt, maakt een boek leesbaar.’
‘Ik weet het niet, maar heb wel sterk de indruk dat ik word geobserveerd.’
‘Bij alles wat ik doe of laat, hoor ik de vraag: ben ik niet schuldig?’
‘Ik ben mijn monomane vader geworden.’

Uit de diepte roep ik
De precieze ziel van Jan Siebelink.

Tekst: Annemiek Schrijver
Foto’s: Christiaan Krouwels
thumbs_annemiek-schrijver-en-jan-siebelink-9
‘Ik zou hier weken kunnen blijven. Als monnik.’ Hij maakt geen grapje.
We kijken onze ogen uit. Kasteel Rosendael, de Bedriegertjes – hier liggen onze vroegste herinneringen. Dit is voor ons allebei het paradijs van onze jeugd, toen de wereld nog sacraal was. Toen er nog geen schrale winden waaiden. De uitgelezen prachtplek om over zijn rekkelijke dan wel precieze ziel te mijmeren. Of is een ziel aan verandering onderhevig? Want op mijn vraag of er iets heilig voor hem is, antwoordt Jan zonder aarzeling:
Ja. Ik kan totaal niet tegen vloeken. Geen godslasterlijke taal gebruiken graag!
En dat uit de mond van een man die zich op zijn 37ste resoluut omdraaide op het middenpad van de Hervormde Kerk in Ede, waar de mantel van het geloof van zijn schouders gleed. Zo keerde hij het godshuis definitief de rug toe. Dat was een noodzakelijke daad, zegt hij nu. Hij moest het voortaan zelf gaan doen:
Ik zegde het heil vaarwel. God moest plaatsmaken voor de literatuur. Er valt namelijk niet te schrijven vanuit geloof. Pas de worsteling van iemand die het geloof vaarwel zegt, maakt een boek leesbaar. In mijn hele oeuvre spreekt niemand over God. Die dient zich pas weer aan in ‘Knielen op een bed violen’.
Maar hoe verhoudt deze radicale breuk met de God van zijn vader zich tot die weerzin tegen vloeken? Jan lacht verlegen:
Soms ben ik er een beetje slap in. Maar meestal loop ik ook in een restaurant naar de tafel waar de naam van God ijdel gebruikt wordt. Ook van vrienden kan ik vloeken niet velen.
Dat klinkt tamelijk precies.
Dat is ook zo. Maar ook in die twintig jaar van ‘ongeloof’ was ik precies. Precies in mijn breuk met het geloof en het gestage schrijven. En ik was niet onverschillig. Vanwege het verdriet om mijn vader ben ik meerdere keren in retraite geweest in kloosters.

Twintig jaar van ongeloof. Terwijl ik bedenk dat er dus iets met de ziel van Jan gebeurd moet zijn toen hij rond de 60 was, wijst hij me de plek waar Prins Bernhard na de jacht zijn immense partijen hield.
Het moeten ware orgiën geweest zijn! En kijk daar…wist je dat de muren van die donjon zes meter dik zijn? Dat was het vaste verblijf van stadhouder-koning Willem III. Vanaf deze plek kon hij over eigen grondgebied naar Den Haag rijden.
Wat is het heerlijk om met deze erudiete man op geboortegrond te lopen. Hij heeft prachtige schoenen aan, z’n geliefde stippenoverhemd en een mooi leren jasje. Ik zie z’n sportwagentje onder een treurwilg staan en denk aan de doffe armoede van zijn ouderlijk huis.
Plots staat hij stil en tikt op m’n arm:
Och, hier is sinds jouw en mijn jeugd niets veranderd. En weet je: in feite had ik rond mijn twaalfde al voldoende meegemaakt om alle boeken te schrijven die ik inmiddels geschreven heb. Een vader die hartstochtelijk naar God verlangde. Een moeder die stiekem haar tranen probeerde weg te vegen om de man die haar niet zag. Een gezin waar de armoede zo groot was dat we voortdurend achter de feiten aan liepen. Er waren alleen maar schulden. En toch, of juist daarom, altijd maar die gulle gastvrijheid voor de gaande en de komende man. Ik duizelde van alles wat ik zag.
Ik ging niet met m’n vriendjes naar het zwembad, omdat ik beter kon proberen nog wat plantjes te verkopen. Misschien dat God me daar toch voor belonen zal.
Ach ja, die God die zich weer onontkoombaar aandiende na twintig jaar ongeloof. Die samen met een neurotische, ziekmakende angst voor het einde op Jans ziel kwam bonzen. Die gaat oordelen de levenden en de doden. De God die hem te licht bevinden zal, om zijn zelfgerichte leven dat zo obsessief op schrijven is gericht en op zijn eigen heil. Hij zucht:
Dag en nacht maar schrijven. Ik kan heel moeilijk genieten. Ja, hele korte momenten. Dat zal ik moeten bezuren.
Ik begrijp het niet, want zie een zinnelijke man naast me lopen. Een mens die van goede wijn houdt en schoonheid, van vrouwen en kunst, die graag praat met mooie mannen. Een sportman met snelle auto’s, die de wereld bereist om nog meer te weten te komen over de mensengeschiedenis in alle details.
Ja, vrouwen. Toch ben ik trouw, loyaal, solidair, als de moeder in Knielen.
Hij doet me denken aan Couperus over wie geschreven werd dat hij door Den Haag schreed als een dandy, terwijl hij gezien zijn oeuvre als een koelie heeft moeten zwoegen. Hij glimlacht.
Ja, je hebt gelijk. Ik zoen bijvoorbeeld heel makkelijk mannen bij de begroeting.
Maar ik voel me vaak zo gespannen, bekommerd. En ja, dat wordt erger. Er zit iets van die vader in mij. Ook hij zag dit leven slechts als een doorgangssluis naar de Plek waar het echt moet gaan gebeuren.

Zou Jan een concrete voorstelling hebben van die Plek die ons te wachten staat?
Mijn vader had het over een nieuw Jeruzalem. En natuurlijk de hel. Ik weet het niet, maar heb wel sterk de indruk dat ik word geobserveerd.
Vreemd genoeg is dat gevoel van gezien worden meer geruststellend dan angstaanjagend.
Ik vraag hem of hij bepaalde dingen zou doen of juist laten als hij zeker wist dat Gods oordeel hem gunstig gezind zou zijn en blijven. Maar dat is niet zo. Hij zou de nerveuzige zelfde zijn die zelden ontspannen is, behalve in zijn studeerkamer. Daar heeft hij een afspraak met God die luidt: Zodra Jan aan een boek bezig is, zal Hij hem in leven laten. Vandaar die productiedrang…
Bij alles wat ik doe of laat, hoor ik de vraag: ben ik niet schuldig? God gaat straks namelijk op mijn vader wijzen met de woorden: ‘Hij wel, hij gaf alles op om Mij.’
En jij gaf alles op voor je vader.
Ja. Freud had het over zo’n vader-zoonrelatie waarbij de zoon zich volledig met de vader identificeert. De vader is de ridder die op zoek is naar de heilige graal en de zoon is zijn page die hoopt ooit deel te hebben aan de roem van de vader. Ik ben al vanaf mijn tiende verontwaardigd over het onrechtvaardige lot van mijn vader.
Ik merk op dat de kleine page de roem van zijn vader inmiddels veruit overstegen heeft en dan volgt Jans ontroerende antwoord:
Ik heb zelf ook gezwoegd. Net als hij. Jaar in jaar uit, naast een veertig jaar durende baan als leraar Frans schreef ik boek na boek die vaak niet eens besproken werden of belachelijk werden gemaakt. En nu, met de vijftigste druk van Knielen heb ik het leven van mijn vader succesvol afgesloten.
Nou dan. Zou God niet met welbehagen op hem neerzien? Houdt de angst voor Gods toorn niet direct verband met zelfhaat? Jan aarzelt geen moment:
Dat is mogelijk. Ondanks m’n egoïsme heb ik wel het vertrouwen dat Hij me met sympathie bekijkt. In mij zit het kwade niet.
En door mijn succes ben ik weliswaar weerbaarder geworden, maar ook kleiner. Nog discreter en eenvoudiger dan ik al was. Mijn vader wilde zichzelf ook uitwissen. Door zijn verhaal op te schrijven was ik slechts zijn medium. Het was enkel genade.
‘Hij moet wassen, ik moet minder worden.’ Wat een mooi voorbeeld van het feit dat dit inzicht juist daagt in tijden van succes.

En over rekkelijk of precies gesproken: Mijn vader had een zeer precies geloof. De predestinatieleer tot in het extreme. Ik volg zijn voetsporen en ben als Gomarus zelf gaan schrijven. Zeer precies. ‘Knielen op een bed violen’ is het eerste boek in Nederland dat het geloof van de vaderen van die generatie niet afkraakt. Het is zonder cynisme, zonder wrok, maar ook zonder sentiment geschreven. Gods woord wordt volkomen geëerbiedigd.
Waartoe, Jan?
Die vader wilde het onmogelijke. Net als ik. Wat hij wilde, was zich losmaken van het gezin waar hij zielsveel van hield. Hij ging een voor die tijd volkomen a-burgerlijke weg. En ik? Ik wil in het hoofd van die man komen. Ook onmogelijk. Ik wil en zal hem alles vergeven, als ik hem maar begrijpen mag!

Jan kijkt naar buiten. Ik volg zijn blik. De zon is gul voor ons. Hij pakt z’n jasje en we betreden opnieuw het paradijs. Zo mooi, zo vol, zo kleurrijk is deze buitenlands en buitenaards aandoende lusthof.
Een klein rood katje volgt ons vrolijk en kwispelt als een hond. Iedere keer als Jan halt houdt omdat hem iets invalt, gaat het katje spinnend op z’n mooie schoenen liggen. Ze kijkt belangstellend naar hem op als hij zegt:
Ik ben mijn monomane vader geworden. Niet alleen in de literatuur. Ik wil God ontdekken. Ik wil wandelen met Hem als Henoch en opgenomen worden als Elia. Zonder sterven. Zo hunker ik naar leven. Ik ben bang voor de overgave aan die niet-zekerheid van de dood.

Een tijdje lopen we zwijgend. Hij, het katje en ik. Juist bij hem vraag ik me af waar al die kennis, die levenservaring en de hartstocht blijft na de dood.
Hij wijst blij als een klein jongetje op een kerk: Kijk! Daar! De kerk van Willem Barnard! Och zo prachtig hoe hij de blinde Jan Wit naar de preekstoel leidde!
Al die levenslustige kennis toch, dat gretige weten van deze Precieze. Och, kon ik zijn angstig voorgevoel maar kalmeren en ledigen.

Net nu we bij de plaatselijke attractie De Bedriegertjes zijn uitgekomen, uit hij zijn afschuw over al die nieuwe zweefspiritualiteit. Maar Han Fortmans ‘Oosterse Renaissance’ las hij met graagte: dat het christendom het boeddhisme nodig heeft.
En dan Frans Kellendonk en het oprechte veinzen: ook al geloof je niet, doe dan alsof. De verhalen moeten doorverteld. Want waar blijven we anders in deze ontheiligde wereld? De kleine Jan wilde voldoen aan Kennedys oproep om een jaar van je leven te geven aan de opbouw van Rwanda. Maar nu? Zelfs de wereldleiders missen, net als hij, principes vanuit een religieuze traditie. De wereld is ontheiligd. Gedesacraliseerd.

Dan houdt hij stil en zegt:
Als ik sterf: Psalm 130. ‘De profundis clamavi ad te Domine. Uit de diepte roep ik tot U, o Heere.’
Maar dan in de advertentie graag Psalm 56:1: ‘Dit weet ik dat God met mij is.’
Precies. Dat is hem ten voeten uit.
Het katje springt op z’n sportwagenstoel en rekkelt zich uit. Ze wil met hem mee. De precieze en de rekkelijke. Ik wuif ze na.

———————————————————————

Jan Siebelink kreeg in 2005 grote bekendheid met zijn boek Knielen op een bed violen, waar hij de AKO-literatuurprijs voor kreeg.
Annemiek Schrijver is schrijfster, en tv-presentator bij de IKON, waar zij onder meer het zondagochtendprogramma Het Vermoeden presenteert.
Annemiek Schrijver en Jan Siebelink waren te gast in The Hunting Lodge in Rozendaal, www.thehunting.nl.

Sociale media:

  • email
  • Print
  • Hyves
  • Twitter
  • MySpace
  • Facebook
  • LinkedIn
  • Google Bookmarks
  • del.icio.us
Dit artikel werd op zondag 10 januari 2010 geschreven onder Interviews
terug naar boven home
2 Comments to

“Uit de diepte roep ik”

  1. On januari 10th, 2010 at 23:34 Carla Says:

    Wat een prachtig gesprek. Het ontroerd me en maakt me stil.

  2. On januari 11th, 2010 at 21:12 Linda Says:

    Ook hier weet je weer het juiste te zeggen, te vragen, te delen, te benadrukken waardoor de schoonheid van interactie tussen mensen zo voelbaar waardevol wordt.
    Lieve groetjes van een fan die al langer meeleest en die haar stem wat vaker wil laten horen wanneer ze geraakt wordt.

Email will not be published

Website example

Your Comment:

Spam Protection by WP-SpamFree



terug naar boven home