Als ik jou was
Och, die mooie Hans van Mierlo toch. Een groot man is gevallen.
Juist nu, in deze roerige Haagse tijden.
Op de een of andere manier heeft Job Cohen dezelfde geruststellendheid als die prachtman die bij het klimmen der jaren steeds mooier werd en nu is gestorven.
Die uitstraling dat alles wel goed komt, waar zit’ m dat toch in? In de rijzige gestalte? Of in de diepe stem? Waarom hebben Bos, Wilders en Balkenende dat niet?
Of ligt het gewoon aan mij en is deze waarneming volstrekt particulier? Verlang ik deep down naar een man die zorgt dat alles goed komt? Zo iemand als m’n grootvader? Maar alles is toch al goed? Of zijn het gewoon lente-hormonen die het mooiste mannetje van de roedel weten te registeren?
Maar een van de liefste mannen van de wereld zei me gisteren dat ik celibatair ben. Pardon? Altijd lachen met hem, hoewel z’n diepzinnigheid adembenemend is. Hij kan zo prachtig praten over het brood van de engelen, panis angelicus, over de schoonheid van de lijdenstijd.
Maar ja, ook over het feit dat ik celibatair ben volgens hem. Verbonden met de hemel, letterlijk vertaald.
Wat mooi gezegd. Misschien dat daarom alles al goed is.
Ik zit in de trein, op weg naar diep ZuidLimburg. Daar hoop ik een OVfietsje te nemen om de komende twee dagen in weer, wind en duisternis tussen Heerlen en Landgraaf te mogen pendelen. Ondanks alle goedbedoelde ‘alsikjouwas’-adviezen.
Geruststelling die van buiten komt ervaar ik vaak als schijnzorg. Als extra onveiligheid.
Daarom begrijp ik de aanhang van Wilders niet.
Maar het verklaart ook niet waarom sommige mensen, zoals van Mierlo, wel die oervader lijken.
Lijken. Maar dat is ook genoeg. ‘Vest op prinsen geen betrouwen’ , leerde ik als kindje psalm 146 uit het hoofdje. Altijd handig, zeker als je door de ZuidLimburgse bossen moet en het schallen je hoog zit.
Jammer dat het zadel zo laag staat.
Ik ben inmiddels in het diepe katholieke zuiden beland en hoor mezelf een taal en melodie van heel lang geleden jubelen:
‘Waar men nimmer heil bij vindt;
Zoudt g’ uw hoop op mensen bouwen?
Als Gods hand hun geest ontbindt,
Keren zij tot d’ aarde weer,
Storten met hun aanslag neer.’
Pfff, want een hoge boomwortel. Wel blijven sturen ja. Iemand moet het doen.
Bijkans zijg ik ter aarde, omdat ik even m’n eigen roer veronachtzaamde. Maar ineens snap ik het!:
Van Mierlo straalde vertrouwen uit. In zichzelf en daarom ook in zijn naasten. En die naasten, dat waren wij.
Tatata.
Plots hoor ik mijn lachende lama:
‘Je hebt geen andere optie dan vertrouwen.’
Pfff, dat is zo onweerstaanbaar aantrekkelijk…



Mooi, over van Mierlo; zo mee eens en niks aan toe te voegen.