Andante
Onder een stralende hemel op geboortegrond lopen. Dat is genade. Lopen. Pas nu de jaren klimmen begint het door te dringen wat dat eigenlijk is. Het mag vooral langzaam. Dat snelle sportieve staalt slechts die wil die toch al zo nadrukklelijk aanwezig is. Niet naar de grond staren, alwaar je rond blijft dolen in al zo vaak herhaalde gedachten. Om je heen kijken met schone kinderogen. Daarmee de wereld groeten. Zonder oordeel, open en ontvankelijk. Wieg met je heupen. Dan zul je de aarde raken.
Ook als je hele dunne enkels hebt en pas ging lopen toen je al bijkans drie was. Volgens mijn vader heb ik ook nooit gekropen.
Achter de rug van mijn moeder vertelde hij dat ze zo op de hare lijken gaat. Haar moeder. Dat had hij vroeger nooit kunnen denken. Hij bedoelt het bepaald niet als belediging, want hij is vanaf de Kampense jongeling die hij was, meer dan dol geweest en gebleven op zijn beeldschone, ondoorgrondelijk spannende schoonmoeder.
En als hij nu de benen van zijn vrouw ziet, is het net alsof hij haar waarneemt. Haar moeder. En als ik in de spiegel mijn armen zie, zie ik juist weer de mijne. Mijn moeder.
Het is mij vreemd te moede die traditie niet door te kunnen geven, omdat ik geen veulentje heb ontvangen dat al te ranke pootjes heeft.
Maar ik bevind me nu wel stevig op geboortegrond. En ik mag hier een monnik van 85 ontmoeten die me hevig beroert.
We praten over de onrechtvaardige rentmeester. Volgens de monnik is die vertaling onjuist. Het gaat om een rentmeester van het onrechtvaardige. Want dat is de wereld. Onrechtvaardig. Dat vindt God ook. En hoe gul en roekeloos ging Jezus daar mee om. Als een dappere krijger de onrechtvaardige wereld in het gelaat zien, dat is wat ons te doen staat. In alle kleuren en geuren. Zo kunnen we ook onze geest onder de loep nemen. Nodig alle demonen uit op de thee. Geef ze een naam en een stoel.
De monnik praat over het koninkrijk van God.
Hij vindt mijn behoefte om God bij te staan schattige larie.
God wankelt niet op zwakke kniëen.
Hij zetelt buiten plaats, tijd en ruimte.
Als we nu al enig benul willen krijgen van dat onbegrijpelijke, dan beelden we ons in dat we een foetus in de moederschoot zijn.
Tegen die ongeborene wordt gezegd:
‘Er komt een tijd dat je buiten deze ruimte leven kunt. Dat je zonder navelstreng kunt ademen. Dat je op eigen benen staan gaat.’
Als de ongelovig lacherige foetus gelijk zou krijgen in z’n onwillig onbegrip, dan zou hij nooit geboren worden.
Want een prachtige gelijkenis. Ik lach naar de monnik.
Ons aardse leven is als in de moederschoot.
Misschien is onze dood dan de geboorte.
De monnik neemt afscheid.
Hij moet namelijk geopereerd worden.
Zijn broeders blijven verbijsterd achter en vertellen dat ze hem nog nooit zo aangeraakt hebben gezien.
Pffff, ik voel me meer dan gezegend en wandel talmend terug naar het station.
