Binnenweggetje
Tussen de Noorderkerk en de Oude Kerk vormt zich een rechte, ietwat verscholen route die kruipt door steegjes en doorsluipgangen. Langs menselijk braaksel, urine, porno-etalages, roodverlichte ramen en liefelijk eeuwenoude huisjes is het vreemd en genoeglijk eenzaam wandelen op de zondagmorgen. Het is een boeiend pad door de menselijk geschiedenis. Van de in de 17e eeuw zo armoedige Jordaan naar de oudste kerk van Mokum. Het is nog stil op het antieke kerkplein. De kinderkopjes doen de vrouwenhakken wankelen. Voordat ik die oude tempel mag betreden, passeer ik het anoniem geplaatste, aan de grond genagelde kunstwerk van twee koperen borsten.
Waarschijnlijk geplaatst als eerbetoon aan alle prostituees die als een letterlijke kring deze stokoude ereplaats omarmen.Hoe anders was de kerkgang van mijn jeugd, vol kwetterende eenden in de te passeren beek, tassen vol bijbels en pepermunt en hele stammen op weg naar Jeruzalem. ‘Wel saamgevoegd wie haar aanschouwt’, neurie ik onwillekeurig, terwijl een vriendelijke heer in het rood mij welkom heet in die prachtkathedraal. De daadwerkelijke hakkenkerkgang door die wonderlijke Mokumse steegjes heeft me al enorm veel plezier bezorgd. Van huis gaan blijkt inderdaad al de helft van het werk. Ik wandelde zojuist in de voetsporen van mijn voorvaderen. Weliswaar door duistere stegen en op vrouwenschoenen, maar dat neemt niets weg.
En deze prachtkathedraal ontvouwt zich gul en met een vleugje humor. Want kunstenaars blijken enorme werken op de vloer te hebben gedrapeerd en aan de wanden van de kerk te hebben gehangen. Verder is een gedeelte van de kerkvloer opengebroken, alsof de doden eindelijk aan het opstaan zijn.
Toch gaat de eredienst ook deze zondag onverstoorbaar zijns weegs. Met een voorganger die de kinderen toespreekt, ze met kaarslicht naar hun eigen afdeling zendt, met ons luistert naar het kerkkoor, hartstochtelijk het woord verkondigt vanuit een weerbarstige tekst uit het Oude Testament, die met ons zingt en die ons zegent. Alleen het delen van het brood en de wijn gaat in dit Mexicaanse Grieptijdperk even wat anders. We geven elkaar geen hand en drinken niet uit de beker. Veel beter is het nu ons brood te dopen in de wijn. Een vrouw naast mij vindt het belachelijk dat haar uitgestoken hand niet wordt ontvangen door de broeders naast haar. We lachen er met z’n tweetjes om en geven elkaar de vijf.
Ik sta en wandel in een traditie, dat voel ik nu overduidelijk. Of ik nu wil of niet. Zowel de uiterlijke vernieuwingen van deze kerk als die van mijzelf doen daar niet aan af. Misschien kan traditie slechts bestaan bij de gratie van vernieuwing.
Na de dienst verlaat ik dankbaar en blij deze oude kerk. Onmiddellijk zijn er overal rode ramen met dikke donkere vrouwen. De cafe’s blijken al –of nog- overvol met lallende, lachende mannen. Ze wenken me, net als sommige van de hoerenmadams. Het is alsof ik plotseling op het breukvlak van de Middeleeuwen van Jheronimus Bosch struikel.
Of zijn het grijnzende Tibetaanse hongerige geesten die zo lachen en lijden achter al die ruiten?
Gods stegen zijn wonderlijk in Amsterdam eind 2009. Maar ik zie Zijn dwarsverbanden en ben derhalve snel weer thuis.

