Daisy
Voor de komende veertien dagen leent mijn goede vriendin mij haar auto, zodat zij op hun verre terugweg naast haar wettige echtgenoot kan kruipen.
Dat willen we allemaal wel, twee auto’s hebben en een huisband. Vandaar dat ik er een mag lenen. Een van die auto’s dan. Deze heet Daisy.
Niemand weet waarom. Ik geloof dat ik zelf die naam mompelde toen ik haar sleutels overhandigd kreeg. Over twee weken zal ik haar weer thuisbrengen, zo heb ik beloofd.
Als je midden in Amsterdam woont, is op Daisy passen nog een hele toer. Het eerste dagelijks terugkerende ochtenddilemma blijkt alras:
Vul ik voor een vermogen een parkeerautomaat, of wacht ik de ongeveer even dure bon af?
Tot nu toe weet ik een list:
Daisy wordt deze ochtend naar een verre, beruchte, maar parkeerpaalloze buitenwijk gereden.
Daar krijgt zij de zegen, opdat de daar zo vaak in het nieuws komende vandaaltjes hun vlerkjes thuis houden.
Vervolgens loop ik zwierig terug de stad in. Dat duurt dan drie kwartier, maar dat heb ik graag voor Daisy over.
Zo kom je nog eens nergens.
Maar vanavond mag ik naar Putten, dus dan heb ik haar van node.
Ondertussen krijg ik de huisband voor iets zakelijks aan de foon.
Als ik zeg iets stoers met Daisy te hebben gedaan, interpreteert hij somber dat ik haar wel roze overgespoten zal hebben. Hij denkt mij te kunnen voorspellen. Maar hij kent Daisy nog niet.
Want zij toert mij ongeschonden en filevrij richting Putten. Nadat ik haar met de fiets weer heb opgezocht. Zij bloost roze van zoveel toewijding.
Daar in het oosten is het aardedonker. Hartstikke fijn nieuws voor Moeder Aarde. Maar Daisy ziet geen hand voor ogen. En staat vervolgens wel de hele avond veilig op een vredig kerkplein op me te wachten.
Merkwaardig hoe snel je verbinding krijgt. ‘Verbinden’, zegt een automatisch afgemeten stemmetje ook altijd als je Daisy binnen stapt. Geen idee waar dat op slaat. Iets met je mobiel of zo?
Die heb ik niet nodig. Verbondener kan niet.
Na de mooie avond met boeiende Puttenaren, hol ik naar haar terug.
Op de onverlichte binnendoorweg naar huis worden we op de hielen gezeten door notabene een tractor.
Amsterdam mag dan doodeng zijn voor de buitenstaander, maar vlak het platteland niet uit. Die locals met hun overmoedige gewoontes, het is ook overal hetzelfde.
Maar net als ik wil concluderen dat Daisy en ik bang zijn voor agressieve achterliggers, voortijdelijk nachtblind zijn geworden, dat het met haar in Mokum niks gedaan is, dat ze maar snel naar haar wettige eigenaresse terug moet, begint het casettebandje wat ze opeet te spelen: Europese madrigalen.
Och hemelzolief.
Daisy geeft me muziek die ik moest dirigeren op het conservatorium. Klanken die bijna dertig jaar vergeten zijn.
Maar van Daisy mag ik in de herkansing, want zij brengt dit madrigaal in vier coupletten. Alle stemmen moest je kunnen zingen, zo vertelde onze strenge directieleraar. Dus zing ik vier keer iets anders.
Daisy lacht erom. Vanbinnen kleurt en krult ze met mij roze op. Lekker puh.
Mensen die blind of slechtziend zijn en het boek “Ik geloof het wel” van jou en Hein Stufkens willen beluisteren doen dat vaak op een Daisy-speler. Daar moest ik aan denken bij het lezen van bovenstaand verhaal.