De aubade
Typische meidenverjaardag aan het eind van een werkdag.
Zo’n partijtje, dat ik als vierjarige abusievelijk karweitje noemde.
Met de meisjes van de Vermoedenfabriek gaan we richting de nieuwe pastorie van een van ons, alwaar zij ons trakteert op verrukkelijke huisgemaakte spijzen. Om 10 over zeven beginnen de meisjes plots collectief langs hun eigenwijze neus weg te beweren dat ze graag het idyllische bijbehorende kerkje willen bewonderen.
Bijna sta ik op het punt om te mompelen dat ik het schattige Godshuisje-op-terp al ken en even een sigaret wil, tot ik me realiseer dat ik niet rook. Dat is toch gek. Hoe oud ik ook word, nooit verlaat mij de puberale impuls gauw iets heimelijks te doen, terwijl ik geen idee heb wat dat zou kunnen zijn. Zeker niet op een meidenverjaardag.
Dus strompel ik mee de terp op. Het is al aardedonker. En geheel niet ongevaarlijk.
Deze veenberg lijkt in de duisternis bijkans op een franse alp.
Bovengekomen op het smalle richeltje voor de kerk, duwen de meisjes mij richting deur.
Ken ik ook nog van vroeger: ‘Het is gevaarlijk, laat zij maar gaan.’
Bijna net zo traumatisch als het feit dat je zelfs op je eigen verjaardag niet met verstoppertje werd gezocht. Een party-animal zal ik wel nooit worden. Daar is het inmiddels ruim te laat voor.
Ik duw de kerkdeur open. Achter mij wordt er overdreven hard een keel geschraapt. Dat blijkt bedoeld te zijn als hoorbaar teken.
Want op dat moment barst het orgel uit in een juichende plagerij.
Van de week heb ik nog tegen de rijpe concertvriend geklaagd dat een mens zich de hele dag alsmaar moet inhouden. Hij beloofde daarop dat we tijdens de opening van het komende meesterwerkconcert door de zaal naar elkaar toe zullen dansen. Beloofd is beloofd. Geen inhouderette meer.
Hij schudde zijn hoofd: “Es gibt kein Ende, nur glühendes Dienen….’.
En nu sta ik onder dat ketende orgel en voel vlinders in m’n buik. Hoor wie speelt daar, kindren? Wat een heerlijke keetmuziek!
De meisjes van de Vermoedenfabriek duwen me tot voorin de kerk, want ‘dan kun je het beter zien’. Zie ze eens gnuiven.
Daar hoog in de kerk, achter de toetsen, zie ik de olijke kop van de boosdoener:
Mijn conversvatoriumleraar van toen ik nog vlechten had en de hele dag baldadig was. De man op wie ik zo verliefd was dat ik tijdens de bonte avond van het schooluitje in Hannover alleen maar met hem wilde dansen.
De meisjes blozen nog meer dan ik. Van opgekropte voorpret en inluizerette.
‘Draaiorgelmuziek’, roept hij als hij lachend de orgeltrap afkomt.
‘Hij was wel jong voor jou doen’, giechelen de meisjes in m’n oor.
Ik straal maar wat dom in de rondte.
Pfff, ik wist niet dat een aubade zo doeltreffend kon zijn.
Voortaan vier ik altijd m’n verjaardag en ik weet al wat ik dan altijd hebben wil.
Wát een geweldig kado zeg !