De hogepriesteresselijke zegen
Zij is zomaar gestorven. Vertrokken, zegt haar man. Wij hadden dezelfde leeftijd. Zij en ik. In een restaurant werden we door elkaar gehaald. In haar Nachtzoen hoorde ik mijn taal. We stonden op het punt van vriendschap. Toen kwam de dood. Zo graag was ze blijven leven. Haar man vertelt me in tranen hoe graag. Hun laatste dagen, uren, handelingen, intenties. We zitten op haar boot. Haar eerste, net betrokken aankomstplek in het leven. Ze voelde zich een weesje. Zoals zo velen. Van die kwetsure had ze al zo lang geleden haar heilige wond gemaakt. Een hemelse gave die troosten want herkennen kon. Die licht kon brengen. En schoonheid, nooit te vergeten.
Haar man en ik zijn in haar eerste echte huis. Bootje, zei ze. Maar deze lichtark blijkt twee verdiepingen te hebben. Vol geheime lieflijke plekjes. Ach, toch is het een bootje. Dat voel je zo. Ik mag haar heilige ruimtes betreden en bij haar man zijn. Hij is zo gewond. En toch, en daarom voltrekt zich een wonder op de lichtark. Zij zegent mij. Over de dood heen hoor ik mijn Johanna de Doopster. Zoals ik ben, maar dan nog wel met een onsje meer mag ik er zijn. Dat is een nieuwe ervaring. Van haar ontvang ik het echte vuur. Haar man toont haar aan mij. Zo zacht en gretig mag het leven door ons allemaal worden toegeeigend. Wat er ook gebeurt. Laten we de trossen en ons haar er maar bij los gooien met z’n allen op deze aardbol. Zij lacht haar lachje al en ziet dat het goed is.

Zo troostrijk en bemoedigend weer, dankjewel Annemiek…