De juf
Twee mannen en een hond. De hond blaft vervaarlijk en dat komt volgens de eigenaar omdat ik een zwart jurkje draag. Daar kan het dier niet tegen. Zwart. De mannen lachen. Ik moet aan veteranen denken, maar probeer die associatie te negeren.Net zoals ik mijn ongemak wegduw dat al decennia optreedt bij mannen die onaardig aandacht vragen. Ook wil ik het woord ‘agressief’ in mijn hoofd vermijden. Dan komt er een zwarte man voorbij. De hond blaft uitzinnig. Luidruchtig vermanen de twee mannen het dier om z’n discriminerende gedrag. Ze hebben het reuze leuk. De term ‘verongelijkt’ plopt nu op. Ze doen me inderdaad aan de veteranen denken die ik ooit in Jakarta trof, waar ik met Poncke Princen in gesprek was. In het vuur van Princens ontroerende betoog greep hij mijn pols. Waarop sissende veteranen opsprongen en mij toebeten dat ik aids van hem zou krijgen. Je zag wel aan z’n gezicht hoe zeer deze crimineel door geslachtsziekten geteisterd was. Terwijl Poncke huidkanker had. Gekwetste mannen waren het. Ze voelden zich in de steek gelaten door hun regering, door de buren en door wie dan ook. Herkenbaar, dat wel. Anders zou het me natuurlijk niet zo hebben geërgerd. Blijkbaar willen we allen dat de wereld onvoorwaardelijk tegemoet komt aan onze verzuchtingen. Maar de buitenwereld vormgeven naar het beeld van onze gekwetste grillen is zichtbaar zinloos: beter kunnen we onze geest transformeren. Zoals het slimmer is schoenen te dragen in plaats van de hele aarde met leer te bedekken. De vraag is alleen hoe we dat voor elkaar kunnen krijgen. Zullen we ooit volwassen worden, nu ik zelfs de oude mannen van onze samenleving zo boos en beurs tref? Vandaag krijg ik het antwoord. Mijn neefje heeft zijn grote toneelopvoering. Het plechtige afscheid van de basisschool. Hij en zijn klasgenoten spelen de sterren van hun hemel. Zo lief, zo fris, zo om te lachen, dat ik mijn hart durf op te halen. Waar halen die kinderen ineens zo snel hun broodnodige zelfspot vandaan? ‘Geef acht!!’, brult een jongen die een boze commandant speelt. Zijn soldaten kijken onnozel voor zich uit en steken slapjes acht vingers in de lucht. Zogenaamd geen idee van de oude regels, waarmee de aangekoekte afspraken in een keer waardeloos worden. Waar diepen deze kinderen dat vermogen uit op? Ze kijken ontroerd naar hun juffie die ze twee jaar lang gehad hebben. Voor al haar klaskinderen heeft juf een gedicht gemaakt en ze leest ze stuk voor stuk voor. Dan dankt ze haar kinderen voor alle pracht die zij haar gedurende die twee jaar hebben gegeven. Een van de meisjes huilt hartstochtelijk achter haar pet. Er zijn jongens bij die zich onverveerd als halve meisjes durven uit te dossen. In deze klas wordt niemand gepest of te licht bevonden. Ik zie het geheim van de juf: Als onderwijzeres en vriendin van de kinderen bevindt zij zich permanent in het gebied tussen manipuleren en verwaarlozen. Daar waar de liefde woont. Ze dwingt noch negeert. Laat ons mensen maken, heeft ze misschien weleens stiekem gedacht. Het jongetje dat het dichtst naast haar zit, legt zijn arm om haar heen. Hij heeft haar door. En zij straalt.