De mooie woudeenzaamheid
‘Heb je soms behoefte aan een man die je jarretelbandjes doorbijt?’
Soms wel.
‘Idioot, wat is dat voor een vraag. Heb je iemand op het oog dan?’
Ja, die heeft hij.
‘Vind je dat normaal of zo? Iemand die van te voren een draaiboek heeft met afvinkpunten?’
Noem dat maar afvinkpunten. Hij grijnst maar geeft geen krimp. De pestkop.
‘En hoezo weet die persoon zo zeker dat ik in het bezit ben van jarretelbandjes?’
De vriend gniffelt. Domme vraag blijkbaar.
Ineens vermoed ik wie hij op het oog heeft. Een pupil van hem.
Hij zet de radio wat harder en stuurt zijn auto richting prettige uitspanning.
Ik wrijf even in m’n ogen. Van deze als monnik levende man had ik echt zo’n vraag niet verwacht. Ineens moet ik ook lachen. Want van de week sprak ik in het Vermoeden nog met een jonge, buitengewoon geëngageerde vrouw van amper dertig. Door ontmoetingen met mensen kantelt kaar wereldbeeld voortdurend. Op een voor haar erg verwarrende manier. Ze vroeg mij maar steeds wat ik dan van al de dingen vond. Ik voelde me de wijze dame die in haar wereldkwesties niet zo’n been meer zie. En was wel zeer geroerd door haar verlangen naar omhelzing.
En nu mijn eigen kanteling. Een oude monnik die informeert of ik een wilde minnaar behoef. Gods wegen zijn zo wonderschoon.
De monnik heft zijn vinger. Schumann op de radio. Pfff, mijn lievelingslied. Hoe weet hij dat? De vraag blijft onuitgesproken, want wat kunnen wij heerlijk zwijgen samen. Met hier en daar een pikant uitzonderingetje.
Maar zijn zwijgende vingerheffing voelt nabij als een wilde minnaar.
‘Wie bald, ach wie bald kommt die stille Zeit,
da ruhe ich auch’,
dichtte Joseph von Eichendorff in 1841.
Robert Schumann nam dit gedicht In der Fremde op in zijn Liederkreis opus 39 en maakte er een adembenemend juweel van.
Zeker als Dietrich Fischer-Dieskau het lied zingt, is er geen mooiere muziek denkbaar als voorbereiding op de Stille Week. Hoewel het gedicht daar oorspronkelijk helemaal niet voor bedoeld is. Het zijn woorden van een romantische ziel die het geluk steeds elders verwacht en uiteindelijk eenzaam achterbijft.
Terwijl de stille week misschien juist zo mooi doorstaan kan worden door niets te verwachten en gewoon te verblijven.
Eens aan den lijve ondervinden of dat mogelijk is.

doe ik wel,
ik ga komende week weer dammen, groetjes