De politieman

New Orleans ziet er uit alsof Katrina pas vorige week is langsgekomen.
Verlaten wrakken in de hele stad. Enorme lege velden waarop geen spoor meer te zien is van de drukke wijken van drie jaar geleden. Ze laten er gras over groeien.
De gossip dat Katrina alleen de armen en de zwarten heeft gedupeerd, blijkt zienderogen lachwekkend. De hele stad is gewond. De natuur discrimineert niet, zegt mijn zeventigjarige gids die veertig jaar lang politieman was en tijdens Katrina zijn uniform weer aangetrokken heeft.
Zijn handen uit zijn mouwen.
‘Deze plek heeft God nooit voor bewoning bedoeld’, zegt hij. ‘Wat doen jullie hier dan?’, vraag ik.
Hij lacht me uit: ‘En dat zeg jij, Amsterdamse onder de zeespiegel. Wat gebeurde er ook alweer in de jaren vijftig bij jullie in het zuiden? Ik bedoel maar.’
Wij, New Orleans en Holland.
‘Kind, we lijken overal sprekend op elkaar. Er zijn zoveel plekken waar God ons niet wilde hebben. En toch wonen er mensen.’
Hij is niet cynisch geworden, ook al weet hij veel van de wereld. Hij memoreert Rotterdam: ‘Wat doen mensen na een ramp? Onmiddellijk opveren. Niet de overheid maar de mensen zelf herstellen de schade. Jouw grootmoeder heeft na het bombardement eigenhandig steen voor steen opgeraapt hoor.’ Hoe weet hij dat, vraag ik me af. Want dat is waar. Dan richt hij zich naar de cameraploeg: ‘Waar deze vrouw naar verlangt, daar verlangen alle vrouwen ter wereld naar.’
De jongens kijken me onnozel aan. Hoe bedoel u? ‘Naar liefde, veiligheid, eten en een dak.’
Zo hadden ze me zichtbaar nooit bekeken. Maar hij wel: ‘Wij zijn allen leden van hetzelfde lichaam. The body of Christ.’
Amen.