De zere hand
Terwijl hij zijn hand uitstrekt, wachtend op het kleine pleistertje dat dat mysterieus verkregen diepe wondje aan z’n vinger gaat beschermen, valt mij weer eens zo’n jong aangeleerde troostzin in.
Met noten uiteraard: ‘Wat de toekomst brenge moge, mij geleidt des Heeren hand.’
Indertijd, toen ik nog een kind was, heb ik abusievelijk meegekregen dat ik geleid zou worden door ‘de zere hand’. Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt de zere hand.
Dat maakte me vroegtijdig attent op de winst van verlies. Dat zere handen lijden, maar blijkbaar ook leiden kunnen.
Hij is blij met zijn pleistertje. Hij is een aandachtige man. Die moet je koesteren.
Zonder dat hij het zelf weet, heeft hij me door mijn woeste pelgrimage die ik afgelopen zomer maakte gesleept. Moederziel alleen klimmend over Franse bergen.
Hij stuurde me tijdens die barre tocht een cruciaal smsje.
Dat ik vol moest houden, omdat ik op weg was naar die speelse vrouw, mijn ware zelf.
Er stonden nog wat andere bijvoeglijke naamwoorden in, maar dat ‘speels’ heeft me diep geraakt.
Spelen. In alle naaktheid, tijdens alle levensperioden van leegheid of verdriet ben ik het kind tegengekomen.
Bij alle mensen die ik bewonder in hun levenskunst –van violist tot inbreker, van moeder tot doodgraver- ontwaar ik het spelende kind.
Kind
Terwijl we het niet laten blijken
dat werelden in ons bezwijken,
kijkt het kind ons aan.
Hij weet er alles van
en vindt vanzelf een naam,
bewaard binnen zijn koninkrijken,
en vangt met ons het spelen aan
als zijnsgelijke.
Een gans heelal is eeuwig
voor zolang.
—Gerrit Achterberg (1905-1962)
Hoe ouder ik word, hoe meer het tot me doordringt dat het enige wat ons te doen staat is onze onttoverde volwassen wereld opnieuw te bezielen. Daar is religie voor. Dat we weer worden als kinderen.
Terug naar het paradijs.
Opdat we steeds opnieuw met open mond vol tanden zijn. Dat is voor iedereen het beste.
Ik geef een kusje op zijn zere hand. Hij lacht blij en laat me een leuk filmpje zien.
