Don’t know
Voor veel mensen is dit de drukste tijd van het jaar. Zeker wat de seizoensarbeid in Hilversum betreft. Men zet zichzelf op standje gewoonmaardoorgaan en wezienwelanderskijkenwewel. Men is bekaf en elke dag een beetje kwetsbaarder, maar omdat er geen tijd is om daar op te letten, heb je het niet door. Tot het te laat is natuurlijk.
Ach, wie kent het niet?
Bij mij gaat er geen vrouw overboord, want ik heb ondanks drukte al twee jaar het merkwaardige gevoel dat ik vakantie heb van iets. Dat de zomerstop van de regels en de afspraken is aangebroken en maar voort blijft duren. Ook nu het weer winter wordt. Blijkbaar nog steeds dankzij mijn crisis van twee jaar geleden.
Vaak hoor ik vanbinnen dat typische stemgeluid van de Dalai Lama, als hij op een hele lange vraag van iemand antwoordt: ‘Don’t know.’
De don’t know-mind. Daar is een hele wijsheidsschool op gebaseerd. Net zoiets als wei woe, chinees voor: doen zonder te doen.
Als de hulpmiddelen en wapens van voorheen niet meer functioneren en je ongewapend achterblijft, dan blijkt er genade in de leegte te zijn. Er schuilt een kans in de crisis.
Toevallig delen allerlei mensen de laatste dagen op hun eigen wijze ditzelfde gevoel. Een paar jongens die homo zijn, vertellen hoezeer hun pijn van vroeger ze rijker heeft gemaakt. De directeur van BNN kan niet wachten op het kamerdebat van 13 december, waar de zeer onzekere toekomst van de publieke omroep op de agenda staat.
Ook mijn vier gasten in het Vermoeden benoemen deze twee dagen de winst van verlies. Jammer dat ik zo moe ben, want ik wil ze zo graag aanhoren.
Tegenover me, aan de tafel in de Vermoedenfabriek zit de rijpe concertvriend. Ik ben nerveuzer dan anders, omdat men denkt dat ik hem langer dan vandaag ken en dat kan nadelig zijn voor een tvgesprek.
Maar hij zegt dingen waar ik geen weet van heb. Die me sprakeloos maken.
Ineens zie ik de inmiddels overleden Gilles Quispel voor me, die jaren geleden ook aan deze tafel zat. Op een suggestie van mij antwoordde hij verontwaardigd: ‘Dat vind ik een zeer impertinente vraag!’
Ik wist niet hoe daarop te reageren en deed dus niets. Na een hele lange stilte zei Quispel toen:
’….maar als je het eerlijk weten wilt….’
En toen volgde zijn zo ontroerende antwoord. Dat moment heeft me voorgoed vertrouwen gegeven in het niet handelen, het niet weten. Daar mag ik toevlucht toe nemen, zeker als ik zo moe ben. Vandaar zal mijn hulp komen.
Want die heb ik nu nodig.
De rijpe concertvriend antwoordt namelijk op een vraag van mij:
’Ik had liever gewild dat je die nooit gesteld had.’
Ik doe maar niets meer. Hij ook niet.
Na een lange stilte antwoordt hij in tranen.
En geeft me de schat van het Christendom terug.
Waar ik nog steeds geen weet van bleek te hebben.
