Een ieder heeft
Alweer een tocht. Maar dan naar het verleden. Samen met mijn vader, de man die nergens zo’n hekel aan heeft als aan geschiedvervalsing. Hoe zeer hij ook van zijn vele broers en zussen houdt, jeugdherinneringen moeten wel zuiver blijven bewaard en doorverteld. Ook door hen.
Op deze snikhete dag zal hij mij leiden naar de grazige weiden van mijn jeugd.
Naar de plek van ‘die zielige paard’, naar mijn geboortehuis, onze fraaie Koepelkerk, het verbogen tuinhek van dat tweede, veel mooiere huis en naar het sprookjesachtige Sonsbeek, waar je onder de waterval kunt staan zonder nat te worden.

Op weg naar deze geboortegrond heb ik gepast geluisterd naar Schumanns Liederkreis en naar Liszts Reminiscence.
Reminiscentie betekent letterlijk ‘een verschijnsel dat herinneringen oproept aan iets overeenkomstigs uit het verleden’. Voor ouderen wordt dit als activiteit in groepsverband aangeboden.
Vandaag mag ik het letterlijk aan den lijve ervaren. We kennen de macht van de geur: Zodra we iets ruiken, zijn we terug op de plek van weleer. Hoe ver weg of lang geleden dan ook. Maar nu gebeurt het andersom. Mijn vader beschrijft de geur van een kat in bange nood in het huis van mijn buurmeisje, dat ik als vijfjarige aanbad. We staan voor dat majestueuze pand en prompt ruik ik hun geurvlag van ruim veertig jaar geleden.
Hij toont mij de plek van ons verbogen hek waar de buurvrouw mij een popje aanreikte. Plots, in detail zie ik het popje liggen op een hartvormig kussen, afgezet met een piepklein kantje.
In de achtertuin zie ik een speels kind in zwartwit-afdruk dat een natuurlijke band met het sacrale had.
Die speelse vreugde en tomeloze nieuwsgierigheid van toen vormt nu een herontdekte verrukking.
Nu op naar dat eenvoudige geboortehuisje in die nieuwbouwwijk. Onder de zinderende zon, met liefde en eerbied, kibbelen mijn vader en ik over dat laatste boek ‘ Ik geloof het wel’. Ik heb een kapitale blunder gemaakt bij het foutief aanhalen van een bijbeltekst.
Stom zeg. Mijn vader houdt halt. Hier ben ik geboren.
Toch idioot dat ze het huisnummer hebben veranderd van 59 naar 38. Aldus mijn vader die nooit overdrijft of de dingen verdraait zoals ik met mijn Smoutertemperament van de andere tak. Net m’n grootmoeder.
Ik herken de voorkant van het kleine huisje niet, maar dat is niet zo gek, want ik was vier toen we er weg gingen. Bovendien sla ik inderdaad makkelijk en graag op hol. Ik troost me nu maar met de gedachte dat dat de speelsheid van toen nog is.
De huidige eigenaar komt naar buiten en verzekert ons dat hier nooit nummers zijn gewisseld en we echt een blokje verderop moeten zijn.
Mijn vader blijft volhouden dat hij voor de goede woning staat. Vanwege de hitte breken we de discussie af en slenteren door.
En verhip en waarempel: nummer 59 is toch gewoon ons huisje van toen, met die enorme vlakte voor de deur waar we zo lekker hebben gesleed.
Onze geschiedenisbewaker. Hij kan er zelf om lachen.
De herinnering objectief bewaren. Is dat wel mogelijk?
Zo weet ik nu niet meer of het uitgestrekte landschap op mijn driejarige netvlies afkomstig was van het schilderij aan de muur hier, of van mijn vooropzitpositie op zijn fiets.
Hij weet het ook niet. Het is tenslotte mijn herinnering en dat fenomeen is al gecompliceerd genoeg. Wat buiten familiekijf blijft is het onopgeefbare ritueel aan de dis:
‘Heeft een ieder?’, vroeg mijn onvergetelijke grootmoeder steevast als onze bekers overliepen en de borden opgeschept waren:
Wij allen altijd in koor:
‘Een ieder heeft.’




Annemiek, als geboren Arnhems meisje maar niet getogen word ik sentimenteel hoor als je de waterval van Sonsbeek noemt dit stukje.Alle vakanties bij opa en oma even naar de waterval.Prachtig en bijzonder!!