Eng?
Mijn man is weg voor zaken. Twee dagen en nachten. En dus hoef ik nergens rekening mee te houden. Pfff, had ik dat geweten…
Hoe vaak heb ik al wel niet gekoketteerd met het aangekoekte verhaaltje dat ik ziek was toen de regels werden uitgedeeld? Dat ik van geen enkele afspraak, die ongetwijfeld op A-4-tjes zijn uitgereikt toen ik er ff niet bij was, iets begrijp. Deze sleets geworden mantra was in mijn eigen oren inmiddels volkomen ongevaarlijk geworden, maar in de eenzaamheid van dit verse decemberweekend ben ik weer geheel ontwaakt. Serieus. Als mijn kat van huis is, dan loop ik echt alle spuigaten uit, zo blijkt.
Neem nu de eet- en drinkwetten. Nooit een jota van begrepen. Ik kook juist uitgebreid als er niemand komt eten. En hoezo gaat rood bij wild en moet wit gekoeld zijn? Waarom houdt men van zoet in de morgen en hartig in de avond? Toegegeven, ik doe voor de lieve vrede al veel te lang mee. Tuurlijk schatje, doe mij maar jam op m’n zondagochtendtoastje.
Maar deez duistere, eenzame dagen komt mijn ware aard overeind. Om zeven uur ‘s ochtends sta ik mijn pittige Thaise vissoep te verschalken. Onderwijl luister ik naar de mooiste opera-aria ooit. Wat? Is dit de mooiste? Dat hoor je helemaal niet te vinden. Zeker niet op je nuchtere maag. Fritz Wunderlich, die onculturele zuipschuit die van de trap viel en stierf. Die het boerse lef had om een russisch liefdeslied gewoon op z’n duits te doen. Ik huil mijn vroege morgentranen om hem en om zijn stem.
Niemand die het merkt.
Hoewel…..niemand…..
Door Youtube en Itunes heb ik dit vrijgezellige weekend al mijn muzikale schatten van weleer herontdekt. Wat een goddelijke bronnen! Maar juist door deze euforie kan ik het niet uitstaan dat ik mijn lievelingszangeres nergens terugvind. Twintig jaar geleden werd haar cassettebandje dat ik van mijn toenmalige grote liefde had gekregen, gestolen uit mijn gele opel ascona.
En wat twintig jaar lang ondenkbaar was, gebeurt mij nu in deze oeverloze verlatenheid: Ik bel hem op. Mijn grote liefde van weleer. De man die eigenlijk sprekend lijkt op die van nu. Maar dan heel anders. Snap je dat een beetje?, vraag ik aan de hoorn in mijn hand. Niet helemaal natuurlijk, Maar ergens ook wel. De zangeres heet Alexandrina Milcheva en ze zong liedjes van Tjaikovski. Nee, we kunnen elkaar nooit meer zien, want dat vindt mijn vrouw eng, zegt mijn grote liefde van weleer. Heb je even, denk ik, maar ik zeg het niet. Dat vind je vrouw eng? Je hebt mij voor haar verlaten. En ik vind haar niet eens eng. Ik vind haar leuk.
Je hebt een goeie smaak. Hij kucht terug.
Waarom zie ik helemaal nergens een been in? Waarom zijn er geen mitsen en maren die mij beschermen kunnen? Moet ik geen toeziend voogd ofzo?
Gelukkig komt mijn zakenman gauw thuis. Die gaat hier heel erg hard om lachen. Die vindt mij helemaal niet eng. Gelukkig maar, want zelf twijfel
ik inmiddels een beetje.