Goede raad
‘Nou dametje, jij mag wel eens een voorbeeld nemen aan je moeder!’ Beetje enge man was hij wel. Maar hij gaf me een gratis advies dat later onbetaalbaar bleek. Het heeft me bepaald geen windeieren gelegd.
Arie Agenant heette hij. Communist. Dat was heel erg, hoewel ik geen idee had waarom. Maar dat maakte hem extra eng. Hij was onze visboer. Nou ja, onze visboer…hij was vooral de nogal aanwezige overbuurman. Zijn houten vistentje stond op het kruispunt, tegenover ons hoekhuis. Al stoeprandend, auto-tartend en zebraspringend had ik nogal wat met ‘m te maken. En hij met mij. Hij vond mij een tutje. Nee, een nufje. Vanuit zijn houten middenstandsoverkant zag hij een meisje dat zich heel wat verbeeldde.
En ik zag een enge oude man van de wereld die mij ontzag inboezemde. Ik was verlegen. Mijn moeder niet, vond hij. Hij had enorme bewondering voor die koninklijke vrouw die zo amicaal en hartelijk met hem omging. Daar moest ik een voorbeeld aan nemen.
Dat heb ik gedaan. Ik begon haar in de gaten te houden. Als ze haar auto naar de garage bracht, had ze altijd stroopwafels op de achterbank gelegd. Voor de jongens. Ze vlogen voor haar.
Niet dat ze haar vrouwelijkheid in de strijd gooide. Ze heulde met ze, werd een van hen. Dat gaf een enorme verbondenheid en dat maakte een buitengewone indruk op me. Die gave heb ik schaamteloos overgenomen. Ik ben ook een van de jongens geworden. Als het zo uitkomt. In nachtelijke montagekamers, op stoere mannelijke tv-expedities…iedereen vergeet dat ik een meisje ben. Ik ook.
Hartstikke handig.
Mijn moeder speelde met de onuitgesproken maar zeer aanwezige codes waar wij ons nu eenmaal zo klakkeloos aan vast denken te moeten klampen met z’n allen. ‘Word je lastig gevallen in de file?? Tot je elleboog in je neus!!’
Haha, ja dat hielp. Je enorm onaantrekkelijk gedragen, dat bleek werkelijk het beste wapen tegen ongewenste aandacht. En vannacht heeft het me weer gered. Ik moest lopend door het Vondelpark. Gevalletje heel erg onverstandig. Maar al gauw realiseerde ik me dat ik waarschijnlijk niet aan het stereotiepe beeld van bange-vrouw-die-net-is-uitgeweest-op-hoge-hakken-met-piepklein-tastje voldeed. Zo’n beeld is vertrouwd en aan te vallen. Maar ik banjerde met een meer dan enorme boodschappentas in m’n hand door de stille lanen. Alsof m’n hele huishouding werd versleept. Ik zag drie silhoueten in het schijnsel van een lantaarnpaal. En hoorde mijn moeder: ‘ En nu maar fijn overdreven onbekommerd zwaaien met die idiote tas!’
Alweer volgde ik haar advies. De drie figuren dropen af. Ze dachten waarschijnlijk dat ze met een gevaarlijke gek te maken hadden. Ik voelde me vrij en veilig. Bedankt Arie de visboer, voor je goede raad.