Het laatste oordeel
Hij zoekt een baan als portier, zegt hij. Van een heel groot en hoog gebouw. Van die functie zou hij verschrikkelijk gelukkig en tevreden worden.
Zijn enige taak is dan namelijk de binnenkomers snel en efficiënt door te verwijzen:
‘U gaat met de lift naar de hoogste etage. En u moet alsmaar rechtdoor, tot u niet meer verder kunt.’
Zulke dingen zegt hij altijd als we net de drukste straat van Amsterdam over moeten. Ik zijg op de trambaan ineen van zijn toon en van de gedachte aan zijn innig vergenoegde tronie onder de portierspet.
Krijgt ‘ie dat weer. Nu moet hij mij weer oprapen en van een wisse dood redden.
Het is blijkbaar zijn levenslot om mensen op de been en in hun kracht te zetten en nu komt het z’n neus uit. Zijn vriendschappen blijken zelden gelijkwaardig. Het is altijd hij die redt en moed inspreekt. Wat is dat toch? Waarom is dit altijd zijn zelfde liedje? Vanwaar zal zijn hulp komen?
Omdat ik hem wat langer dan vandaag ken, hij bovendien m’n sanghagenoot is wat ongeveer gelijk staat aan een broer, mag ik hem veel vragen stellen. Toch komen we er niet goed uit. Ik zelf heb ook zo’n terugkerende ergernis. Namelijk dat men mij vergeet: ‘O, dom van me, ik heb iedereen behalve jou ingelicht dat het interview van morgen naar deze ochtend is verplaatst. Ben ik het beste paard van stal vergeten.’ Ik laat hem dit zojuist ontvangen sms’je zien, ijverig van zins een reeks van dit soort zelfde gebeurtenissen op te lepelen. Ware het niet dat ik op de trambaan dweil van de lach om zijn tragikomische portiersact die veel leuker is dan valt te beschrijven.
Ondertussen vreet ik mezelf op om dat onverwachte interview met een man die ik op grond van de weinige info op internet bepaald niet zie zitten.
Mijn sanghabroeder belooft mij me met zijn zo vertrouwde wapens te stutten en een tafeltje verderop te wachten tot dit vervroegde vraaggesprek ook weer een feit is.
Maar mijn gesprekspartner blijkt een fantastisch mens met een roerende levenshouding. Dus besluit ik dat dit echt de dag van mijn laatste oordeel worden moet. Dat het vanaf nu afgelopen moet zijn met de sleetse en nutteloos geworden verhalen in onze geest.
Deze geïnterviewde is eigenaar van een van de mooiste hotels van de stad.
Ik leg hem de trambaankwestie van zo-even uit en hij schatert van voorpret.
We wenken mijn sanghavriend en wandelen naar het hotel.
Een heel groot en hoog gebouw.
Hij krijgt een pet, hij zet zijn tronie op en wij worden weer als kinderen.
Een middag lang verwijst hij mensen naar de nok, de kelder en de nooduitgang.
En iedereen is hem daar dankbaar om.
Hij weet wat hem voortaan te doen staat. Mensen op hun eigen nok, kelder en nooduitgang wijzen.
En ik zie dat dat goed is.
Ziezo. Dit was mijn laatste oordeel.
Pffff….