Het marktplein
In oude geschriften worden pelgrims die de woestijn hebben doorstaan steevast opgeroepen weer terug te keren naar het marktplein. Ik ben maar al te graag gehoorzaam en sjok Barcelona binnen. Van horen zeggen heb ik dat het er mooi zal zijn. Bovendien wil ik nu dat spaanse biertje wel. Maar de drukte van het marktplein is als een vuistslag in m´n gezicht. Ik laat me zakken op de trap van de kathedraal om even bij te komen. Er waait een Telegraaf van gisteren mijn kant op. Nou zeg, de wereld komt op deze manier wel heel rap weer binnen. Lawaai alom en krantenberichten over grote rampen. Een cycloon, een autobrand met fatale afloop voor een heel gezin.
Op de volgende pagina moet ik lezen over de schoonheid van rood haar en de bijzonder hoge hakkenmode voor komende zomer. De moed zakt in m´n oncharmante maar trouwe stappers en ik wil de krant in de prullenbak stoppen. Dan valt mijn oog op een diamant. Verborgen in de rechterhoek van de krant. Geschreven door ene Marianne Janssen. Het stukje heet Dans:
´Mag ik deze dans van u?´ Er buigt een oude heer. Wat stram in de benen, wat stram in de rug. Wat stram in het hoofd en zo meer. Maar als er muziek klinkt, dan wordt hij weer jong. Dan woont hij niet in een tehuis. Hij wordt weer veerkrachtig, niet langer dement. En wellicht is zijn grootvader tachtig, maar hij is nog jong en hij wil weleens wat, man in de bloei van zijn jaren. Hij wil dansen. Hij vraagt zijn verzorgster ten dans, haar haren als honing zo blond. Hij herinnert zich haar van een eerdere dans, toen kuste hij haar op de mond. En daarna? Ach daarna, hij herinnert zich vaag dat hij ooit het geluk met haar vond. Ze bloost zowaar. ´Vooruit dan maar!´ Ze staat op en ze reikt hem de hand. En dan dansen zij samen de eetkamer rond. Hij leidt en zij volgt hem gedwee. Hij denkt dat hij jong is, zij laat hem de waan. En hij neemt haar al walsende mee naar de tijd van weleer, toen hij iedere keer dat hij uitging een meisje verleidde. Hij glimlacht haar toe. ´Je bent lief, je bent mooi. Je bent blond als het zomerse koren.´ Ze luistert, betoverd. En ziet hoe hij was. En hoort woorden die niemand ooit zei. Een demente meneer? Ze vergeet het dit keer. Wat een weelde die woorden te horen. Ze glimlachen. Dansen. Verzorgster. Patiënt. Ze laten zich beiden bekoren. De muziek is ten einde. De dansers staan stil. Ademloos, ietwat verloren en ietwat verlegen opeens met hun dans, want een dans wordt hier weinig vertoond. Dan buigt hij naar voren. ´Heel hartelijk dank!´ En daarmee is ze ruimschoots beloond. Is ze ruimschoots tevreden, al hoort ze nadien dat die dans onbetamelijk was. Ze moet afstand bewaren. Een ijzeren wet. En zij had de grens overtreden. Ze knikt voor de vorm. Zijn stem echoot na: ´Je bent blond als het zomerse koren.´ Zoiets moois heeft geen mens haar ooit eerder gezegd. Die zin raakt nu nooit meer verloren.´
Ik vouw de krant dicht. Duw mij maar weer het marktplein op. Iemand geeft me een foldertje waarop staat dat over een uur het orkest I Musici hier zal optreden. Ik doe mijn schoenen vast uit. Het marktplein zal dansvloer zijn.
