Hoi inbreker
Eindelijk snap ik het woordje ‘breek’ in jouw beroep. Want wat een herrie joh. Man man, wat zul jij geschrokken zijn vannacht! Kokje de kater heeft er in ieder geval een trauma aan overgehouden. Hij wil niet meer onder mijn bed vandaan. Niet zo gek, want jouw baksteen en de enorme scherven van mijn winkelruit vlogen om zijn oortjes. De steen is uiteindelijk terecht gekomen op het altaartje. Alle mooie mensen die daar in kleine lijstjes op stonden zijn omgevallen. Maar wat zich niet verweren kan, daar maken ze liefde van. Nu ben ik jouw oorgetuige, zegt oom agent. Dus hebben we een soort van relatie. Ik heb je brommer horen wegscheuren en natuurlijk het inferno van je inbraak aangehoord, want lag een meter verderop te slapen. Geen idee of je dat in de gaten had. Je hebt mijn computer meegenomen. Inmiddels zul je erachter zijn dat er geen wachtwoord op zit. En dat Rachab mijn openingspagina is. Dus kun je deze brief probleemloos lezen. Ik zit in een internetcafé. Waar ben jij? Een half uur nadat je weg was, kwam er een hele jonge jongen die met zijn tong tussen z’n tanden een noodraam ging plakken voor het immense gat. En ik geef toe vaak beweerd te hebben dat vakmanschap mij in alle verschijningsvormen fascineert. Zijn glaszetterette is minstens zo goed als jouw inbraak. Je moet van grote afstand hebben gegooid om zo’n dikke ruit te kunnen vernietigen. Precies het juiste gat op de goeie plaats. Petje af. Twee vakmannen in een half uur. De één repareerde wat de ander stuk maakte. Alleen was ik jouw oorgetuige en van de tweede jongen ooggetuige. Ik zag zijn toewijding, terwijl ik de jouwe alleen maar hoorde. Ik keek in zijn ogen. Ze waren zacht. Ze hadden een beetje medelijden met me. Dat zag ik heus wel. Oom agent vroeg later of ik je zou willen ontmoeten als je eventueel voor de rechter komt. Natuurlijk. Laat je je helm dan thuis?