In alle vroegte
Laatst hoorde ik mezelf tegen een dierbare vriendin beweren dat ik me als mens prima voel, maar als vrouw minderwaardig.
Een beetje merkwaardige uitspraak als je het goed nagaat.
Geen idee waar die vandaan komt.
Ook geen enkele goesting om het uit te zoeken.
Ergens denk ik dat het iets te maken heeft met ons collectieve beeld van de vrouw, in reclame en op treurbuis. Zowel mannen als vrouwen zijn de vrouw ongewild als lustobject gaan beschouwen.
Daar zit iets uitdovends achter.
Beroepshalve lees ik drie boeken tegelijk van drie vrouwelijke schrijvers. De een beweert dat we sukkelinnen zijn, de ander zegt dat we monsters zijn en de derde vindt dat we vermoeide heldinnen zijn.
Pfffff.
Ik wil niet meer lezen. Alleen maar kijken.
Het is zeven uur in de ochtend.
Terwijl ik dit opschrijf, zijn er drie mannen druk in de weer in mijn nederige stulpje.
Ze zijn van drie generaties. Een vijftiger, een veertiger en een twintiger.
Ze slopen mijn keuken.
Ze doen net of ze thuis zijn.
Ze neuriën, maken achteloze opmerkingen, bukken, tillen, peinzen en nemen telefoons op.
Ze schudden hun hoofd over de deplorabele toestand van de afvoer.
Ik kijk en luister met open mond.
En probeer te doen alsof dat niet zo is.
Maar ze weten het wel.
Ik zie hun spieren, billen, vakmanschap, aandacht, lol en beweging.
Nabijheid verkeert in onverwachte hoek.
En troost zit nu gebukt op de plek waar de nieuwe koelkast komt.
