Lachen
Verschrikkelijke kinderen moeten wij geweest zijn. Mijn vier broers en ik.
In ieder geval hebben wij menig hulpverlener de dampen aangedaan. Die kwamen veelvuldig bij ons over de vloer vanwege de vele crisispleegkinderen die aanspoelden en weer gingen.
Dan zei zo’n maatschappelijk medewerker bij ons op de bank: ‘ Ik heb mijn diploma gehaald en..’
En dan onderbraken wij vijven hem in koor met: ‘Zeker met ’n herexamen.’
Hij, verbijsterd van de een naar de ander stamelend: ‘Ja, hoe weten jullie dat?’
Ja, zoiets is een gave. En anders werd het je wel ingepeperd door de broers. Wij leken het commentaarkoor van de Mattheuspassion wel. Of de Flodderkids. Nooit op het mondje gevallen. Altijd in voor een gebbetje.
Nooit te beroerd om iemand z’n plaats te wijzen.
En toen we later groter waren, kozen we onze vrienden uit op deze eerste en belangrijkste vreugde.
Een van de leukste mannen die ik ken is weergaloos in het simultaan becommentariëren van het voetbalcommentaar. On-ge-hoord! Meteen uitzenden.
Maar toch wist ik tot gisteravond niet echt hoezeer ik door die eerste broederliefde was betoverd. Of nee, dat moet je anders zeggen: Hoezeer die methode mij weer boven Jan zou helpen.
‘Boven wie??’ zouden mijn broers onmiddellijk in kwartetvorm roepen.
Nou luister. Mijn winterdipke is zo verschrikkelijk aan gort gelachen.
Hun doorgroefde medicijn blijkt gelukkig nog steeds het perfecte middel om mij te doen herleven.
Gisteravond ontstond er een soort Waldorf en Statler-dialoog (de oude heren van de Muppetshow) met iemand.
In een razend tempo.
We wisselden steeds van rol, dus niemand was de held.
Want daar zit de lol niet:
‘ Afijn..ik had met succes het gymnasium doorlopen…’
‘Van de voordeur naar de achterdeur.’
‘En toen zat ik op het conservatorium..’
‘Zeker op het dak.’
Ik weet, het is te flauw voor woorden, maar als men eenmaal maat verliest…
‘Nee, ik heb in het Concertgebouw gezongen!’
‘Op het toilet?’
‘Serieus, ik heb in de Grote Zaal gestaan!’
‘Tussen die andere 299 bezoekers.’
Ach, het is niet na te vertellen.
Maar wat had ik dat gemist zeg. Dat incorrecte, flauwe, jongensachtige.
‘Mijn zoon heeft bij Ajax gespeeld.’
‘Met z’n popje?’
Hoe vaak belandt een mens in z’n leven onder de tafel van het lachen? En dat het daar dan nog heel lang onrustig blijft?