Lang geleden
Het is al heel erg lang geleden, maar iedere ochtend is het weer zover.
Ik was zeventien en had verlegen vlechten. Studeerde aan het conservatorium. We hadden een lieve muzikantengroep, met wie ik graag wat drinken ging. Dat deden we altijd in de Herberg tegenover het station.
Mijn lievelingsdrankje was tonic, als ik me goed herinner. Zo’n drankje kreeg ik gratis als ik bij het tafeltje aan het raam ging zitten, zo sprak de lachende waard. Dat was goed voor zijn klandizie. Ik had geen idee wat hij daarmee bedoelde, maar deed braaf wat hij voorstelde. Zo waren wij beiden tevreden. Hoewel…..deze woeste, grote waard wilde ik wel wat beter leren kennen. Maar ja, dat gaf toch geen pas. Zijn twee dochters die hem bijstonden in de herberg waren ouder dan ik. Toch trok ik op een dag mijn stoutste schoentjes aan en vroeg hem of hij met mij naar een concert wilde. Dat was namelijk wat ik mij voorstelde bij samen uitgaan. De woeste waard schrok daar enorm van. Want verlegenheid is besmettelijk.
En ik schrok weer zo verschrikkelijk van zijn schok, dat ik nooit meer zo’n voorstel heb gedaan in mijn vrouwenleven. Mannenschrik is zo naar onaantrekkelijk. dat het me nog steeds rillerig in de benen zit.
Nu wil het geval dat ik in de zelfde plaats werk waar ik zo heel lang geleden studeerde. En ik ben van de trein. Dus passeer ik dagelijks de herberg van weleer.
En in mijn ooghoek zie ik hem dan zitten. Aan het tafeltje bij het raam. Aan een heel vroeg kopje troost. De woeste waard. Vijfentwintig jaar ouder. Hoe dat er uit ziet, durf ik niet van dichtbij te bestuderen. Verlegenheid is besmettelijk. Hij zit daar op de uitkijk, dat is zelfs evident vanuit mijn behoorlijk omvangrijke ooghoek. Hij reikhalst altijd een beetje. Maar elke morgen loop ik door, alsof ik hem in die herbergduisternis niet ontwaar. Want dat durf ik niet. Of zal ik morgen wuiven?
maandag 12 november ’07.

