Liefdevol voorgevoel
Bezit is datgene wat op weg is naar een ander, hoor ik een wijze vriend zeggen. Hij wijst naar zijn eigen tafel. Die zal onherroepelijk van eigenaar wisselen. Hij vertelt over een stam in Afrika die het bezittelijk voornaamwoord niet kent. ‘Dit is mijn hut’ wordt uitgedrukt met ‘Ik ben met deze hut.’ En ja, na je dood zal iemand anders met die hut zijn. ‘Ik ben met dit kind’ zal een vader daar zeggen, in plaats van: ‘Dit is mijn kind’. Een andere vriend sluit bij hem aan en vertelt vertederd over z’n vijfjarige dochtertje. Vaak komt hij in het holst van de nacht thuis, omdat hij een nachtprogramma op de radio presenteert. Zijn eerste gang is dan naar haar kamertje, omdat hij zien moet hoe ze slaapt. Ze weet niet van zijn aanwezigheid. Hij zweeft mee op haar serene ademtocht, maar zonder zijn stempel achter te laten. Ook later zal hij haar misschien niet eens zeggen dat ze zo vaak besloten lag in de wake van zijn armen. Wat als we niets zouden manipuleren, niets in zouden vullen, niets naar onze hand zouden zetten. Dat we de dingen onbepoteld lieten, en de mensen onbevangen. Dat we niet verslaafd waren aan onze eigen vingerafdruk. Hoe zou het dan met de liefde gaan? Met de man van wie ik zo lang gehouden heb? Bedoelt Borges dat in zijn gedicht Liefdevol voorgevoel?:
‘Teruggeworpen op sereniteit,
zal ik dat laatste strand van je wezen ontwaren.
En voor het eerst, misschien,
zal ik je zien zoals God je ziet,
nadat het boek van de Tijd is opgerold,
zonder liefde, zonder mij.’