Lucht
Op de autoradio klinkt een belspelletje. Een presentatiekoppel belt Nederland rond met de vraag wat men zoal een vies luchtje vindt. ‘Ajakkes!’ blijkt een veelgeuite mantra. Vervolgens bevraagt het koppel elkaar en is het alras roerend met elkaar eens. Het meest vieze weerzinwekkende luchtje wat ooit is opgesnoven vinden deze presentatoren dat van ouwe mensen. ‘Getver, viespeuk, hou op, hoe durf je zoiets smerigs te zeggen, ik eet net een broodje ja!’ Dan haalt een van de twee een krant tevoorschijn en citeert gierend een artikeltje: een zanger die tegen de bio-industrie ageert, heeft een optreden afgebroken omdat er naast het podium spek gebakken werd en hij onpasselijk werd van de lucht. Het presenteerduo valt op de grond van het lachen. Zo’n sukkel en aansteller hebben ze nog nooit meegemaakt. Wie heeft de regels ook al weer bedacht? Op het schoolplein van weleer was dat mijn dagelijks terugkerende vraag. Wie maakt de dienst uit als het gaat over mode, gedrag, sukkels en helden? Wie laat wie alleen? Ik ben op weg naar mijn volkstuin en huisje. De laatste dingen. Grasmaaien, gasslangen vervangen, douchekop verfraaien, boeken meenemen en al die kleine frutseltjes. De rest mag blijven. De nieuwe eigenaresse neemt alles op de koop toe. Als opvolgster heeft zij mijn voorkeur omdat ze kleren draagt die bij het huisje passen. Een beetje grappig en zo. De rest van de kandidaten waren of hard of onachtzaam. Niet dat dat mijn huisje of tuin wat schelen kan. Dat zit alleen maar tussen mijn oren en die zullen spoedig uit het zicht verdwijnen. Ik kijk het lieve huisje rond. Hier, op deze 28 vierkante meter is een boek geboren, hier is heerlijk geslapen, gekust, gemijmerd, gehuild en gelachen. Maar voor mijn opvolgster is hier nog geen vuiltje aan de lucht. Ze snuift wat. Er hangt een oude mensenlucht, vindt ze. Ach, dat is de winter nog, zeg ik. De lentedeuren zijn nog niet open geweest. Aan jou de eer. Ik druip af met de boeken en de frutsels. En met de ouwe mensenlucht. Die zal ik afschermen met mijn hart.