Na de stilte
Niemand gelooft het natuurlijk, maar deze narcissen zijn hedenochtend betrapt. Ergens langs de waterkant van een vaart bij een klein plaatsje in het midden van ons land.
Zo staan ze er in deze dagen al bij. Vooral als we nog slapen.
Vanwege kilte en nattigheid zien we ze nog een beetje over het hoofd.
Kijken we onder de bomen door, die al op barsten staan.
Vanwege koorts ook.
Voor de zoveelste keer ben ik deze winter de pineut.
Maar wie is er niet het haasje? In wie is het altijd lente?
De man die de narcissen vanochtend heeft betrapt is vijftig geworden.
We hebben zijn halve eeuw uitbundig gevierd, want wat zijn we allemaal blij met hem.
En hij? Hij likt zijn wonden na z’n scheiding.
Op een eenzaam bootje in een vaart, ergens in dat kleine plaatsje. Van de winter is hij al bevriend geraakt met een oerlelijk schaap en een stokoud konijn.
En nu is hij de eerste opletter die ziet dat alles weer op barsten staat.
Alles zal weer tot leven komen.
En wij hebben het allen overleefd.
Hee. Daar wist ik toch nog een liedje over?
O ja. Van zo’n andere olijke opletter.
Mooi, heet het.
Wij zijn Goddank dus nog een keer een jonge lente waard.