Onverwoestbare onschuld
Een boek van een mooi wezen, een brief van een wijze en een preek van een kwetsbaar mens. Daaruit bestaat mijn eerste zondag van deze maand. Drie mensen voor merg en been. In de vroege ochtend schenkt het mooie wezen mij het boek‘ Onverwoestbare onschuld.’ Zij is een schot in mijn roos. Het boek valt open bij: ‘Deze onschuld, deze maagdelijkheid, deze nieuwheid is teer, heel erg teer. Het betekent geen enkele bescherming, geen enkele afweer, geen demping. Het is alsof je met je blote billen op het ijs zit.. Het bijt, en daaraan herken je het. Je kunt het niet gerieflijk en behaaglijk proberen te houden en toch hopen dat je doordringt tot de steeds nieuwe werkelijkheid. Om direct naar de onschuldige werkelijkheid te kunnen kijken, moet je je van alles ontdoen, moet je volkomen naakt zijn en je huid in contact laten komen met het ijs.’ Tegen de middag stuurt de wijze mij een fragment uit z’n dagboek van 1973 toen hij, op zijn rugzak gezeten, in een nachttrein de andere kant van de wereld doorkliefde: ‘De kreet van nachtelijke treinen die gaan remmen: Dat is de roep van in de nacht verloren zwanen, dat is de blauwe droeve wijze maand april, die stil haar tranen stromen laat. Omdat ze ziet hoe blind en hoe op slot de daden van alle mensenkinderen zijn.’ Er zit een briefje bij: ‘ 1973. Hoe oud was jij toen? Stel dat je toen door je ouders een tijdje aan mij was ‘uitbesteed’ en mijn zwerversbestaan deelde. Ik zou voor je gezorgd hebben, je gekoesterd hebben, je verwend hebben, je met je huiswerk geholpen hebben, je verhaaltjes verteld hebben, en in de vacanties in mijn deusjevootje met je rondgetoerd hebben door Europa. Jij ’s avonds slapend op de achterbank en ik rijdend in de beginnende nacht, onze verre onbekende ster tegemoet.’ Later op de dag buldert de kwetsbare zich door zijn intrede als predikant in de protestante kerk in Ossendrecht heen: ‘Mijn doopnaam is Nicolaas. Maar wie denkt met mij een goedheiligman te hebben buitgemaakt, zal bedrogen uitkomen. Ik ben een alleenstaande dikke homoseksueel!’ Ja, onverwoestbare onschuld. Het is telkens overal. De rest is onzin.