Als Mozes had doorgevraagd
“Wij dreigen van het evangelie steeds weer iets gewijds te maken voor heilige ruimtes, nette mensen en vertrouwde gewoonten. We vergeten dat de kribbe van Jezus in de buurt was van het gewone volk met hun folksongs”. Met die opmerking breekt Arjan Plaisier een lans voor ‘The Passion’ in Gouda. “We mogen Jezus niet in de veilige kerk verstoppen”, zo schrijft de scriba van de Protestantse Kerk in het jongste nummer van Kerkinformatie. “Het Paasevangelie is een woord dat ook steeds weer vlees moet worden. Niet alleen in de omheining van een geheiligde ruimte, maar ook op de markt van het leven”.
Als dat allemaal waar is, van dat vlees en die markt enzo, dan kan het misschien ook geen kwaad dat Hans Beerekamp mij gisteren in het NRC Handelsblad omschrijft als een theologische babe met een combinatie van protestantisme en sexappeal.
Lekker wel.
Maar toegegeven, ik word helemaal wild van vlees en markt. Neem nu de Johannespassion die op dit moment door de Nederlandse Reisopera van drama, gebaar en kostuum wordt voorzien. Ik weet wel waar mijn rijpe concertvriend en ik op Goede Vrijdag te vinden zijn. In de Stadsschouwburg natuurlijk.
Wie mij in het kader van ‘met de heilige ruimte de markt op’ ook hevig beroert is de jonge geëngageerde journaliste, theatermaakster en dichteres Marjolijn van Heemstra.
Neem dit nu toch:
Als Mozes had doorgevraagd
Moest ik mijn land verlaten: ik zou blijven.
Stond mijn stad in brand: ik draaide om.
Moest ik mijn kind offeren: ik weigerde.
Zolang jij je niet laat kennen houd ik
benen op de grond, armen om het kind.
Mij scheep je bij geen bramenstruik af
met ‘ik ben die ik ben’, een kleine vlam, een donderstem.
Mozes was iemand van zijn tijd: dankbaar voor het leven,
bang om door te vragen en ook: een man,
die vragen niet zoveel.
Ik was blijven staan bij die struik tot je verscheen.
Geen smoesjes van doeken voor ogen omdat je straling te fel.
Mozes was brandgloed gewend, ik tl.
Kom maar op, zou ik zeggen. Zeg ik nu: Kom maar op.
Als niet Mozes, maar ik bij Horeb had gestaan ging het zo:
ik: Wie ben je?
jij: Ik ben die ik ben.
ik: Ik ook.
jij: Ja, jij ook.
Dan had ik je aangeraakt en jij mij.
Was de Bijbel geen boek, maar een omhelzing.
