Retraite
In de metro zit een zwart jongetje van een jaar of vijf. Hij zegt tegen mij dat er een eng monster bestaat dat iedereen wil opeten. Daar slapen sommige mensen niet zo goed van.
Diepzinnige tekst. Lijkt je eigen geest wel. Ja, ik ben onderweg naar een retraite.
Er stappen twee Marokkaanse meisjes in. Met open mond luisteren ze even mee naar deze malse horrorstory.
Dan legt een van de meisjes haar lange wijsvingernagel op het mollige knuistje van mijn monstervertellertje en zegt: ‘Ik bel jou over een paar jaar.’
Het jongetje klapt een reistandenborstel open en doet alsof hij op toetsen drukt. Iedereen lacht. Als de meisjes de metro verlaten, zeggen ze tegen mijn schattige kleuter: ‘Bel me als je achttien bent.’
De moeder van het jongetje lacht wat bibberig met de metromeute mee.
Ze is ongeveer van dezelfde leeftijd als de verleidsters van haar zoontje.
Zwarte Maria. Alle woorden overwegend in haar hart.
Ik ben op weg naar Sogyal Rinpoche. Hij is er weer.
‘Ze zocht haar hele leven naar Jezus. Maar toen kwam ze mij tegen’, zegt hij over een devote vrouw in onze groep.
Grapje. Zonder heel erg veel humor worden we in dit doorgedraaide westen binnen de kortste keren stapelmesjogge, zo zegt hij lachend.
Ook deze vier dagen overlaadt deze leraar ons met gulheid, liefde, compassie en wijsheid.
Een van ons heeft haar zoon vorige maand verloren. Ze is zo’n dappere krijger.
Omdat ze de moed heeft haar verdriet recht in het gezicht te zien, wordt ze weerlozer en daardoor open. Zo komt de troost ook binnen. Ze kan knielen bij het onomkeerbare hartverscheurende feit. Zoals in dat oude verhaal van die vrouw bij de boeddha. Zo anders dan bij het dochtertje van Jairus.
Hoop op opstanding lijkt van een andere orde dan het aanvaarden van dit onvoorstelbare.
Witte Maria.
Dit zijn de dagen van weerloosheid en moed.
Van pijn en humor.
Van oude verhalen en nieuwe inzichten.
Eigenlijk hoef je niet op vakantie.
