Ritme

Toen een jaar geleden mijn ferrarirode aanstelauto door een vrachtwagen in tweeen werd gereden– de dode hoek heb ik nooit eerder zo levendig mogen ontmoeten- , was het al gauw duidelijk dat van uitstel afstel komt. Er is nooit meer een opvolger van het sportcoupeetje benoemd. Niet dat ik niet meer durfde rijden, maar ik was zo nieuwsgierig naar hoe lang ik het zou uithouden zonder die vier wielen waarmee ik me tot dan toe zo verbonden voelde.
Vastgeklonken was het meer.
En mijn autoloze zondag duurt nu al een jaar. Tot mijn enorme verrassing voel ik me opgelucht en bevrijd zonder kar. Het is bijna een taboe, maar ik geniet met volle teugen van het openbaar vervoer. Mij gaat geen bus te ver of boemeltrein te zacht.
Zo mag ik nu van Weesp naar Dronten. Eerst met de trein naar Lelystad en dan verder met de trekschuit…uh…bus. Alwaar een euro extra betaald moet worden om redenen die de chauffeur zelf ook niet begrijpt. Maar ik dok graag voor zoveel vertier.
Neem nu dat reclamebord op het digitale busprikbord:
Ongediertebestrijding. U belt, wij verdelgen.
Met zo’n onbetaalbare zin doe ik lekker lang. De hele reis. U belt, wij verdelgen.
En dan heb ik nog niet eens naar buiten gekeken. Toegeven, dat kan je in de file natuurlijk ook uren doen, maar nu…
De poldertrein. De cadans. De striemende regen. De onafzienbaar verre velden. Wonderlijk ontwaterd land. Zo vertrouwd…Oostvaarders… maar ook zo vreemd ver weg…Het lijkt de prairie wel. Honderden paarden. Ik wrijf mijn ogen uit. Het is echt waar. Misschien zijn het wel duizend paarden. Cadans. In trance. Vanuit de diepte zwelt er ritme aan. Er staan woorden in me op. Wonderlijk hoe ik zinnen opsla als ze ritme hebben. Woorden die minstens twintig jaar in mij niets hebben liggen doen komen naar boven. Verleid door de trein en de regen en de paarden. Mijn lievelingsdichter verheft zijn stem. Ik luister. En huiver.
Het regende toen ik de trein betrad
die mij uit steeds dezelfde steden
door steeds eenzelfde regen had gereden
naar steeds dezelfde noordelijke stad.
Vermoeid uit mijn gedachten weggegleden
had ik een vaag soort halve slaap gevat:
Mijn niet meer te traceren levenspad
verloor zich in een anoniem verleden.
Toen naderde de trein de brug, en uit
een halve droom schoot ik ten halve wakker;
wat laatste druppels waaiden van de ruit.
Ik zag: de IIssel stroomt nog naar de zee.
Gods licht beschijnt Gods water en Gods akker.
In groene uiterwaarden graast het vee.
*Jean Pierre Rawie

