Romeo
Hij was mijn Romeo. Dat mocht hij niet weten. Niemand trouwens. Ik was tenslotte zijn muziekjuf. En hij was een jongen met een verstandelijke beperking. Maar dat kon ik niet onthouden. Romeo leek namelijk de Regel van Bendictus in zijn binnenzak te hebben. Van alle dagelijkse dingen maakte hij iets heiligs. De wereld werd toverachtig zodra Romeo er aandacht aan besteedde. Tot mijn grote verdriet ging Romeo dood.
Onwetend heb ik een engel gehuisvest, denk ik nog vaak.
Om Romeo te eren heb ik Julia bedacht, in het boek Rachab. Maar ja, het blijft behelpen.
Tot de dag van vandaag dan. Want er is zojuist een wonder gebeurd. Ik zoek namelijk al lange tijd een tuinman, zelfs langs digitale wegen. Na nogal wat teleurstellingen had ik net besloten de zoektocht op te geven.
Nou goed, nog één poging dan: Een slanke, koninklijke verschijning wandelt mijn tuin binnen. Onmiddellijk moet ik aan mijn engel van weleer denken.
Goed, Romeo was moluks en deze man is indonesisch en minstens veertig jaar ouder.
Waarom voelt deze ontmoeting dan zo vertrouwd en gekend?
De tuinman zegt lachend tegen de boomstam midden in de tuin: ‘Kijk, als ik deze stam weghaal, dan praat ik natuurlijk wel met hem. Jongen, wat moet dat moet….’
Hij glimlacht en zegt dan bijna voor zichzelf: ‘Eigenlijk ben ik een spirituele tuinman.’
Ik weet niet wat me overkomt, kijk over m’n schouder naar mijn tuinaltaartje waarop een foto van Romeo staat. Hij knipoogt naar me.
zondag 13 mei ’07.