‘s lands wijs, ‘s lands eer
Het is stil, zo stil. En dat mag een wonder heten. Volgens de boekjes is het beslist niet mogelijk om in je eentje in de grot van Johannes te komen. Laat staan er even in diepe rust en contemplatie te verblijven.
Zoveel toeristen komen er op Patmos. Maar blijkbaar is het zo vroeg in het jaar dat ik moederziel alleen de beroemde 43 treden af kan dalen, voor elke tree een levensjaar. In de grot zie ik de plek waar hij lag, waar hij zich omhoog trok, de stenen tafel waar zijn leerling Prochoros die openbaringen opschreef. Niets leidt mij af. Ik ben in de unieke gelegenheid om me in te leven hoe het zijn zou om twee jaar in gevangenschap in deze donkere grot te wonen.
EMaar eigenlijk is dat onvoorstelbaar. De tijden zijn veranderd. Bij de ingang van de spelonk zit de bewaker hinderlijk te piepen met zijn mobieltje. Nieuw spelletje. Een gadget die Johannes nog niet had.
Allemaal afleiding. En zelf moet ik m’n best doen om even niet aan die herder van net te denken die de voor en achterpootjes van z’n geiten aan elkaar had gebonden. Gemak dient de mens, ook tijdens het hoeden.
Daar had Johannes het al over, dat er een tijd komt dat de mensen niet meer weten dat ze met elkaar verbonden zijn. Dan maken ze de aarde en de zon ziek. Dan drukken ze overal hun arrogante stempel op. Dan denken ze dat alles van hun is en zien ze niet meer hoe heel de schepping lijdt en dat zij daarom zelf ook zo ongelukkig zijn.
Ik verlaat de grot en beland op een terrasje. Nee, het is natuurlijk niet een typisch wreed grieks trekje, dat met die talloze schapen- en geitenpootjes die ik deze vakantie al gezien heb.
De griek is juist enorm aardig, charmant, op het gemak. Dat komt al van eeuwen her, toen deze eilandbewoners de zeeen wel moesten bevaren en in den vreemde moesten gaan. Dat is nog steeds te merken. Mannen van de wereld zijn het.
Wat een fascinerend fenomeen, zoals de mens in staat is om zich aan te passen aan nieuwe tijden en oorden. Mijn moeder zei vroeger altijd al: Waar je brood is, is je vaderland.
Ja, hoe zit dat ook alweer met ons hollanders? Wij bevoeren toch ook alle zeeen? Wij zijn toch ook van alle markten thuis?
De stokoude ober blijkt vloeiend frans te praten tegen mijn buurman. En dat terwijl mijn grieks niet veel verder reikt dan: Magmejaslos, Ojassis en Gooijehaarlos. Deze oude, leuk kijkende man komt naderbij en kijkt naar het boek in mijn hand. Door zijn zwierige gemak zou het me niet verbazen als hij nu in helder nederlands het woord tot me zou richten:
‘Ach dametje, je hebt een goeie smaak. Geert Mak. Sans doute. En al op bladzij 199 zo te zien. Ik zal het even voor je voorlezen: Wij hollanders beschermen onze vieze geheimpjes met een briljant toverwoord, te weten ‘ kwets’. Het is het geluid dat weerklinkt zodra er een tegel uit onze gladde vloer van braafheid, tolerantie en consensus wordt losgewrikt. Het is een toverwoord, omdat het in 1 klap alle realiteiten weet om te draaien: de dader wordt slachtoffer, de machthebber vervalt tot een sympathieke hulpeloze, de onderdrukkende meerderheid vermomt zich als een gediscrimineerde minderheid.’
Dan zal ik blosserig mijn boek dichtslaan en mijn oude ober zal gul lachend, met brede armbeweging zeggen: ‘Maar wat wil je drinken? Troostglaasje van mijn zaak!’