Soms wel
Boven het park hangt een kolos van een huilbui. Donker en zwaar. Het onweert al.
Eigenlijk is er werk aan de winkel en is dit doelloze lopen niets meer dan om de hete brij heendraaien. Zoals altijd als er iets voortgebracht moet worden. Altijd maar dat riuele weglopen en weer terugkomen.
Er moeten Schrijveretjes worden uitgezocht. Die zouden weleens een boek kunnen vormen. Zo’n meidengeval met glittertjes of zoiets. Als het aan de uitgever ligt.
Bij het werpen van een eerste snelle blik in het archief, stuitte ik vanochtend op een schrijfsel waarin ik ooit een Christusgedicht van Hans Andreus aanhaalde:
nu het zover met mij is gebeurt het wel
dat ik de dwaas die kermde aan het kruis
nabij mij voel. Hij zwerft hier door het huis.
Toch vreemd. Gisteren trok ik blind uit een heel pak kaarten van een wijze man de afbeelding van een Piëta.
‘Maria’, groette de man bij het afscheid.
En net, op weg naar het park, liep ik haar tegen het lijf. Een houten beeld van ongeveer 1 meter 50 hoog, in de etalage van een antiekzaak. De eigenaar van de winkel vertelde dat ze uit ongeveer 1650 stamt. Maria met lege armen. Haar handjes waren al vergaan. Verdwenen. Haar lege armen vermolmd. Wat wil die eeuwenoude hulpeloosheid me toch almaar zeggen?
Nu huilt de hemel. De bui is losgebarsten. Wij parkgangers ondergaan het gelaten. Alsof wij zelf die huilbui zijn.
Een vader laat zijn al druipende peuter uitgebreid stilstaan bij een kennelijk wonder. Het jongetje bestudeert aandachtig een graafmachine. Zijn wijze tweejarige oeroude jongenskopje heeft een uitdrukking alsof hij alles van de hoed en de rand weet.
Hij lijkt dat kleine meisje met die volwassen prachtstem wel, op dat Amerikaanse podium. Mooi dat dat gefilmd is, zodat ook wij ons kunnen verwonderen.
Hoe kan een tienjarige de stem hebben van een veertigjarige vrouw met dito levenservaring? Hoe heeft een tweejarige de volwassen aandacht en uitdrukking van een professionele wegwerker?
Waarom zijn mijn armen vermolmd? Vanwaar weten alle parkgangers dat ook regen gul en barmhartig ontvangen moet worden? Hebben we soms iets met elkaar te maken?


