Toegegeven
Volgens de autoradio kreeg de ongelovige componist Francis Poulenc zo’n optater van het dodelijke verkeersongeval van een goede vriend van hem, dat hij spontaan spoorde naar de Zwarte Madonna van Rocamadour in Frankrijk, daar een heftige religieuze ervaring opdeed en er prompt een prachtstuk van bakte: Litanies à la Vierge Noire.
Kon ik net gebruiken, zo op weg naar Brugge. Anders had ik de al aankoekende opdracht van de katholieke medeschrijver (“ Bezoekt men Brugge, dan spoedt men zich naar Michelangelo”) hoogstaannemelijk in de Belgische wind geslagen. Er zijn tenslotte grensjes. Zeker als men twintig Nachtzoenen in twee dagen dient te vergaren omdat het geld op is. In zo’n geval gaat men heus niet eentweedrie richting de Brugse Onze lieve Vrouwe kerk om de Madonna met Kind van Michelangelo te trakteren op je bezoekje. Zijn enige werk dat Noordwest-Europa heeft bereikt. Een gereformeerd grietje heeft wel wat anders aan het hoofd. Helaas doet Poulenc me op de autoradio de das om. Ff parkeren.
En dan stil worden.
Maria’s kindje is best al groot en wil buiten spelen. Maar haar gezichtje vertoont moederzorg. Zo heel gewoon. Dat hebben zoveel moeders. Later krijgen ze spijt van die zinloze zorg en worden ze blije grootmoeders. Niks aan de hand als je ‘t goed nagaat. Maar als je nog beter naar deze Michelangelo kijkt en de tijd neemt die je eigenlijk niet schijnt te hebben, dan zie je dat Maria zo droevig boven haar mollige peuter uitblikt, dat een traan niet te voorkomen is. Hoe kan een mens dit leven uit dood marmer halen? Die zachte plooien van haar kleed, het liefwarme vlees van haar ventje, haar diepbedroefde gezichtje?
Een gereformeerd grietje zou er verlegen van worden. Maar eenmaal een grens gepasseerd, neemt zij makkelijk een volgende. Want een deur verder vereert men een druppel bloed van Christus, in 1256 al veroverd tijdens de tweede kruistocht in het heilige land.
Men mag niet schateren of spotten, zo melden mij bordjes en een diepe mannenstem door een microfoon. Best moeilijk voor een gereformeerd grietje met alleen maar broers. Ik ga in de rij van devoten die de druppel willen betasten en vereren. Wat een grappigheid hier bij onze zuiderbuurkes.
Maar plots schiet mij een boeddhistisch verhaal te binnen. Over die jongeman die meerdere keren op zakenreis naar Bodhgaya ging, de plek waar de Boeddha verlichting vond. Telkens beloofde hij zijn oude moeder een reliek van de leraar. Maar hij vergat dat keer op keer. Tot hij op zijn terugweg een dode hond langs de weg zag liggen. Gauw trok hij een tand uit de bek van het dier. Tegen zijn moeder deed hij of het een tand van de Boeddha was. Stralend van dankbaarheid legde de vrome oude vrouw de hondentand op haar altaar en bad er zo innig voor, dat er regenbogen rond de hondentand verschenen, en de oude vrouw verlichting vond.
Genoeg gemijmerd. De file van devoten voor mij is opgelost. Ik sta nu voor de zogenaamde druppel bloed van Christus. Hier zijn acht eeuwen devotie vol plooien, talent, kindervlees en tranen aan geofferd. Wat kan het nu nog anders zijn dan het bloed van dat Ventje? Het gereformeerde grietje in mij geeft toe en buigt het sceptische hoofd.


