Vakantie
Mijn huisbaas laat subtiel merken dat ik het door mij illegaal bewoonde winkelpand niet op stel en sprong hoef te verlaten. Waarschijnlijk begrijpt hij ook dat geen ondernemer in deze uithoek brood ziet. Veel valt hier niet uit te baten. Mocht ik ooit verhuizen, dan wil hij het winkeltje wel als pied-à-terre voor hem en zijn vrouw. Begrijpelijk punt. Zo knus het pandje nu is, daar wil iedereen het moede hoofd wel te rusten leggen.
En het wordt ook steeds maar liever. Zojuist heb ik een Jezus m’n hol in gesleept. Mijn buurman heeft een antiekhandeltje en Jezus stond met zijn enorme hart en open armen al weken in zijn etalage naar me te lonken. Hij noemt hem Jezus met losse handjes. De doorboorde handen zitten inderdaad los, de verhuizing al voorziend.
De buurman vindt dat Jezus uitstekend zal staan op m’n vleugeltje. Ik slik er even van, want leefde tot nu toe in de naïeve veronderstelling dat mijn winkeltje, in tegenstelling tot het zijne, geen inkijk bood.
Bovendien had ik Jezus meer bedacht voor mijn getimmerde slaapzoldertje, maar het beeld blijkt voor een vrouw alleen niet te tillen.
‘Zeg het maar kind, ik sjouw ‘M graag voor je naar boven. Hij was tenslotte ook niet te beroerd om z’n schouders eronder te zetten!’, aldus de buurman.
Ook heb ik een garagehouder op de hoek die ik Kick mag noemen. Alleen heb ik al jaren geen auto meer, sinds m’n rode snelheidsduiveltje aan flarden is gereden door een vrachtwagen.
Maakt Kick niks uit. Ik drink kopjes koffie bij hem en bewonder z’n antieke motoren, zijn geheime liefdes.
De vrouw van de zeer ouderwets uitgeruste drogisterij noemt je altijd ‘schat’ als je om het een of ander komt.
Nu sta ik oog in oog met de groenteboer achter zijn eenzame kraampje op de Lindengracht. Hij schudt zijn hoofd, terwijl een vrouw in een soort tijgerpakje mopperend geld probeert op te vissen uit haar beursje. Haar lange nagels laten het afweten.
De groenteboer kijkt me veelbetekenend aan:
‘Ik sta hier nu veertig jaar. Ik zou een boek kunnen schrijven. Maar de helft ben ik vergeten. Kun jij me niet interviewen? Dan komt ’t vast allemaal weer terug.’
Goed plan. Oral history, ik ben er dol op. En iemand moet het doen.
De Jordaan. Ik hoef niet op vakantie.


