Vallen
‘Nu krijg je eindelijk eens door wat echt ontbijten is’, zei hij nog.
Van half negen tot tien met een ei bezig zijn en met wat sneetjes Duits brood.
We waren de enige hotelgasten en hadden de mooiste plek bij het raam. Met uitzicht op het dal.
Het miezerde in het Rothaargebirge.
We hadden bedacht dat hij me iedere ochtend tot aan de rand van het dorp zou brengen. Hij zou dan terugkeren om te lezen, te mediteren en vooral om bij te komen. Een man van bijna 83 die nog volop aan het werk is als psychotherapeut heeft ook weleens behoefte aan een ‘retraite’, zoals hij het zelf noemt.
En ik zou stoer de bergen in klimmen. Weer of geen weer.
Maar die ochtend van het lange lieve ontbijt had hij overmoed opgevat. Weer bracht hij me naar de rand van de bebouwde kom en nam toen de omweg rechts, terwijl ik links omhoog ging klimmen.
Toen ik boven was, zag ik hem nog lopen in het dal. Op zijn stoere nieuwe stappers. Hij verdween onder druipend lover.
En ik huiverde nogal. Duitse bossen zijn umheimisch bij slecht weer. Helemaal geen mens tegenkomen is tot daar aan toe, maar af en toe een auto in de middle of nowhere…je moet er van houden.
Na uren kalme, klamme volharding bereikte ik een opluchtend dorpje. Daar kwam het bericht binnen dat hij gevallen was. Of ik terug kon komen.
Nu is het al dagen later. Zijn eenzame val is verleden tijd. Zijn moeizame opstanding ligt achter ons. Zijn gebroken pols is in Duits gips gegoten.
Een sterk en zinnig mens die het leven bovendien als een geschenk ziet en deze val- zonder-nabijheid eenvoudig aanvaarden kan.
Maar ik niet. Ik was er niet.
Onder alle aangeleerde nuchterheid (die vaak uit ongemak voort lijkt te komen) sijpelt als een onafgebroken bergriviertje verdriet om eenzaamheid en hulpeloosheid. Het meandert naar andere stroompjes en beekjes, op weg naar een immense zee.
Alsof zijn ongelukkige aardsmak aanhaakt bij al het vallen, zoals Rainer Maria Rilke dichtte:
‘En in de nachten vervalt de zware aarde
uit alle sterren in eenzaamheid.
Wij vallen allemaal. Deze hand hier valt.
En zie de anderen: het is in allen.’
En is die laatste zin ook waar?:
’En toch is er Eén, die al dit vallen
oneindig zachtjes in zijn handen houdt.’
Ik bid het maar.
