We have a dream
Wie niet voor ons is, is tegen ons. Deze (overigens bijbelse, maar verkrachte) mantra van Bush schijnt Amerika beu te zijn. Dat is natuurlijk groot nieuws.
Verandering hangt in de lucht. We zijn oog- en oorgetuigen van een historische gebeurtenis en kunnen elkaar vanaf nu altijd samenzweerderig aankijken met de vraag in onze ogen: ’Waar was jij toen Obama won?’
Niet doorvragen dan. Zeker niet in dit nog zo prille tijdperk waarin wereldwijd gedeelde ontroering kan worden ervaren. Zo vaak maakt een mensenleven dat niet mee.
Daarom is de doorvraag: ‘Hoe loopt dit af?’ zinvol noch heilzaam. Hoe vaak heb ik de afgelopen tijd mensen niet horen fluisteren te vrezen dat hij vermoord zal worden. Vanwege agressie om zijn I-have-a-dream-charisma . Om het feit dat iedereen daar een wapen kan bezitten en er overal wel ergens een gek is. Om de eerste zwarte president. Om de verandering en de onzekerheid.
Zou het helpen als we bange vermoedens inslikken? Ligt het begin van schuld in woorden geven aan ongeloof?
Ik heb er geen idee van. Zelf was ik pas echt ontroerd door het late radionieuws vanavond. Dat Bush zijn opvolger Obama, echtgenote en dochtertjes heel binnenkort hoopt te ontvangen op het Witte Huis. Het woord ‘dochtertjes’ deed het ‘m. Ik zie die parmantige meisjes trippen door lange gangen, zich vergapend aan hun toekomstige kamertjes. They have a dream. En wij nu met z’n allen ook even. De wereld is klein geworden. Soms is het net of geluk voor allen toch op het hoogpolige kleed voor onze mensenhaard ligt. Of zijn dat dromen?