Zij

Heette het blad maar niet Opzij. Maar: Ophaar.
Ik ben op haar. Of zal ik dat voor me houden|?
Ik kluif op mijn ouderwetse kroontjespen en kijk peinzend naar buiten. Alle tijd.
Er valt natte sneeuw. Hoe behaaglijk heb ik het hier in mijn keuken gemaakt.Er suddert al iets op m’n petroleumstelletje.
Maar is dit wel een verstandige aanhef voor zo’n brief?
Opzij zoekt een waardig opvolgster voor de vertrekkende Dresselhuis en dat valt blijkbaar dermate tegen, dat iedereen inmiddels wordt opgeroepen te solliciteren. Nou ja, iedereen….Je moet wel een vrouw zijn. En verstand van bladen hebben. En geëmancipeerd zijn.
Kijk, dan gooi ik hoge ogen. Ik ben met m’n schattige laklaarsjes en roosjes op de kousen onmiskenbaar geen man.
Verstand van bladen heb ik ook al. Als ik bij de buurtsuperkassa wacht en een blik Opzij sla, zie ik dat er heel, heel, heel veel van zijn.
En geëmancipeerd ben ik al vanaf de wieg, thanks to mijn ouderlijke rolmodellen.
Mijn moeder zag het verschil niet tussen een schuur verbouwen en een sudderlapje gaar maken. Mijn vader trouwens ook niet. Doen wat je hand vindt om te doen, omdat iemand het nu eenmaal doen moet.
Ja hoor, ook pianospelen was zeer welkom, maar als er andere tijden zouden aanbreken, werd ik wel geacht te weten waar m’n schort hing.
Luchtig van identiteitje wisselen was het normaalste spelletje van de wereld.
Maar ja…toen ontmoette ik ook haar nog eens! Met m’n natte haartjes van het douchen en m’n bakje chips op schoot. De hele week had ik naar haar verlangd en zaterdagavond was het dan zover: Swiebertje! Met die ontzettend leuke Saar!
Zo’n keuken wilde ik later ook. Met van die grote zwart-wit-tegels. En altijd iets op het vuur. En zo ontzettend lief over ‘ Meneer’ praten. De burgemeester voor wie zij zo goed zorgen wou.
Met dat typische Riek Schagen-zwiepje in de stem. Opwinding. Ook kleine meisjes nemen dat al waar. Ik als klein potje had wat dit betreft enorme oren.
En dan die ontregelende, binnenvallende vriend van haar die haar te pas en te onpas aan het lachen maken kwam of kon ontroeren. Saar bofte maar. Dat wou ik later ook allemaal wel.
Zal ik dat schrijven aan Opzij? Dat ik gehoord heb dat de illustere schrijvers Du Perron, Ter Braak en Vestdijk relaties onderhielden met hun huishoudsters en elkaar daarvan op de hoogte hielden? Dat ik dat wel een aantrekkelijk idee vind en ineens het beeld van de pastoor wat minder eenzaam vind?
Zouden ze dat geëmancipeerd genoeg vinden? Of zullen ze m’n brief Opzij leggen?