Zomer
Hitte. Er is iets mee.
Ik heb een geliefde collega die het halve jaar klaagt over de door mij zo gekoesterde kou en sneeuw en die opveert nu de mussen van het dak zijn gevallen. Terwijl ik dan juist bij die vogeltjes ga liggen. En ik spreek nu niet over aanstellers. Zowel de collega, de mussen als ikzelf hebben ronduit gelijk vanwege bouw, maaksel en aanleg. Of om wat dan ook.
Dus hitte en ik, wij vormen een weerspannig duo. Ik voel me dan zo raar eenzaam. En ben in goed gezelschap, want ik herinner mij een boek van Sartre over een witheet strand, een blikkerend mes en de desolate staat van de hoofdpersoon. In de warme julimaand van 1981 mocht ik er tijdens mijn verhitte mondelinge eindexamen Frans notabene in het Nederlands over rebbelen en kreeg toch een diploma. Geluksgevalletje in de hitte.
Sindsdien is die eenzame man op dat withete strand verkleefd aan m’n netvlies.
En onlang hoorde ik van zowel dominee Klaas Vos als van mijn vader dat ook zij zich juist zo eenzaam kunnen voelen in de hitte.
Er is iets mee.
Dat je streeploos bruin kan zijn en niemand dat te zien krijgt. Dat je ex met een nieuw lief aan een Frans riviertje zit en niemand meer verwoordt hoe fijn ook wij het daar zo heel lang en vaak hadden.
Maar ik heb weet van de loop der dingen en seizoenen, dus steek ik monter een boek in m’n tas en neem de fiets richting park met eendjes.
Onder genadig, zwaar lover lees ik het boek van Henk Vreekamp uit: ‘ De tovenaar en de dominee’. Over de verschijning van God. Een bemoedigende ondertitel. Die kunnen we hier goed gebruiken. Maar Vreekamp raakt in paniek:
‘God verdwijnt in de Bijbel. Vanaf het boek Genesis, waar Hij met mensen praat, al wandelend in de hof, tegen de avond, tot in het boek Esther, waar zijn Naam niet meer genoemd wordt. En voorgoed verdwijnt God in de vleeswording van zijn Woord. Als een mens op aarde, zo verschijnt God. Aan de buitenkant kun je niet zien dat het God is.
In paniek wil ik de verdwijning van God tegenhouden. Als Petrus, die Jezus wil verhinderen naar Golgotha te gaan. Als satan wordt hij opzijgezet. Als Maria Magdalena, die Jezus wil omarmen zoals voorheen. Houd mij niet vast. Als Mozes, die God in het gezicht wil zien.’
Dit zijn overigens niet de laatste woorden van het boek.
Want de schrijver leert ten lange leste te wachten op de Vader.
Maar hoe lang nog?
Wat nu als Hij ‘t weer zo lelijk vindt?
Want het blijft de komende dagen woestijnheet.
Daar is iets mee.
Daar moet ontferming zijn.


Warm weer en een sfeer van eenzaamheid herken ik.
Voor mij is dat ooit omchreven door Anna Blaman: stilte op straat en geblindeerde ramen.