AI

Laatst zat ik tegenover een wetenschapper die volgens eigen zeggen uit een streng atheïstisch nest kwam. Hoewel verwondering hem niet vreemd was, bleek dat we elkaars taal niet makkelijk vonden. Dus hield ik mijn woordgrappen voor me. Natuurlijk kwam het onderwerp ‘kunstmatige intelligentie’ ter sprake, in het Engels afgekort tot AI. Als zesjarige zag ik de bui al hangen, toen ik psalm 25 uit het hoofd diende te leren: ‘Heer ai, maak mij uwe wegen..’ Dezelfde vrees en beving die de mens nu ervaart bij Artificial Intelligence wordt in de psalmen al eeuwen bezongen. Een gedachte die voor de atheïstisch opgevoede wetenschapper natuurlijk volkomen absurd is. Door een anderstalige besef je pas hoe groot de invloed van je woordenschat is op je verbeelding. Zou mijn beschouwende aard zo overheersend geweest zijn zonder die oude psalmen in mijn kindertijd? Ik vraag het de taalkunstige dominee, die zijn toga helaas aan de preekstoel heeft gehangen. We zijn op de Veluwe en vergapen ons aan Gods ruime hemelrond. Wonderlijk maar waar, plots en spontaan zingen we samen een oud berijmde psalm. Er klinkt zo’n scheurend verlangen uit, dat we het vers herhalen. Verlangen gevangen in taal. Of wordt het menselijk reikhalzen juist bevrijd door het woord? We kijken elkaar aan en halen onze schouders op. Ook al spreken wij elkanders taal, nu doen we er het zwijgen toe.

 
   « Artikelen overzicht