Onderonsje

De cameraploeg staat op te bouwen in de boshut. Ik kijk nog even in m’n aantekeningen voordat onze eerst gast arriveert. Dan vraag ik de jongens welke eigenschap ze van zichzelf waarderen. Ze zijn wel wat gewend hier. Toch blijkt het makkelijker te zijn om als eerste een onhebbelijkheid te noemen. Maar na even doorzetten lukt het wel. We komen al gauw tot een opmerkelijke conclusie. Maar daar is de eerste gast. Een vrouw die na de dood van haar grote liefde haar huis, tuin en hart wagenwijd opengezet heeft voor mensen die toevlucht zoeken. Haar cadeautjes noemt zij ze. Dan verzucht ze: ‘Ik ben zo dol op gulheid!’ Dezelfde conclusie als tijdens ons eerdere jongens-onder-onsje: we trainen juist die kwaliteit in ons waar we zelf zo naar verlangen. Zij snakt kennelijk naar gulheid. Net als ik. Een paar jaar geleden liep ik met mijn beste vriend ons dagelijkse ommetje. Voetje voor voetje. Hij was al doodziek. In een klein steegje stopte hij, keek me aan en zei: ‘Jij bent van God gezonden.’ Een week later stierf hij. Zijn zegen draag ik altijd met me mee. Ik wil zijn gulle vrijmoedigheid graag doorgeven. Daar is soms moed voor nodig. Maar het blijkt besmettelijk. Een van de jongens heeft het allemaal op zich in laten werken. Hij tilt z’n mondkapje op en zegt: ‘Ik ben liefdevol.’

 
   « Artikelen overzicht